Ontstaan van de kust-
en Bollenstreek
De Bollenstreek zoals we die nu kennen is grotendeels het
product van mensenhanden. De streek bestond aan het begin van de jaartelling uit
duinen en veen. Het veen is in de Middeleeuwen afgegraven. Later zijn ook de
binnenduinen ten behoeve van de bloembollencultuur afgegraven. Na afgraving van
de duinen bleef vruchtbare kalkrijke zandgrond over die uitermate geschikt was
voor de groente- en bollenteelt. Het afgraven en in cultuur brengen van de
duingrond ging door tot in de twintigste eeuw. Kenmerkend voor de Bollenstreek
zijn de vele sloten en vaarten, noodzakelijk voor het afvoeren voor het
overtollige duinwater. Van de oorspronkelijke binnenduinen is op dit moment nog
nauwelijks iets over.
Historie
De geschiedenis van het Nederlandse kustgebied waarin de Bollenstreek
zich bevindt, begint zo'n 8000 jaar voor Christus. De laatste IJstijd maakte
plaats voor de warme periode (Holoceen) waarin we nu nog leven. De gletsjers in
Noorwest Europa en andere delen van de wereld hadden zich in de IJstijd zo sterk
uitgebreid dat er zeer veel water aan de zee was onttrokken. De stand van de
zeespiegel was tientallen meters lager dan nu. De Noordzee moet vrijwel geheel
droog hebben gelegen. Nederland maakte deel uit van een enorme toendravlakte die
enigszins naar het westen afhelde. Deze vlakte werd bevolkt door rendieren,
holenberen, leeuwen, mammoeten en rinocerossen.
Vanaf het begin van het Holoceen werd het klimaat warmer,
waardoor de gletsjers smolten en verdampten. De zeespiegel steeg en op het land
ontstonden voor de kustlijn moerassige gebieden waarin veen werd gevormd. De
oprukkende zee dreef deze zone steeds verder landinwaarts. Drieduizend jaar voor
onze jaartelling steeg het water niet meer zo snel en werd op de kustlijn een
strandwal gevormd. Doordat het zand verwaaide ontstonden hierop lage duintjes,
die ook wel "oude duinen" worden genoemd. Op de oudste strandwallen
liggen nu de dorpen Hillegom, Lisse en Sassenheim. Openingen naar de zee werden
gevormd door de monding van de Oude Rijn en een zeegat ter hoogte van Heemstede.
Vanaf die tijd ging de kust zich steeds verder zeewaarts uitbreiden waarbij
nieuwe strandwallen werden gevormd.
Het gebied achter de oude standwal veranderde eerst in een
lagune waar nog wat klei werd afgezet. Nadat het gebied geheel was afgesloten,
ontstond een uitgestrekt moeras waarin veen werd gevormd. Voor de monding van de
Rijn vormde zich een delta. Deze delte reikte tot kilometers buiten de huidige
kustlijn. In de twaalfde eeuw werd het kustgebied geteisterd door stormen. De
kustlijn werd sterk aangetast, rechtgetrokken en landinwaarts verplaatst. De
wind wierp het vrijkomende zand op de kust, waardoor zich in de twaalfde en
zeventiende eeuw duinen vormden met vrij veel reliëf. Deze jonge duinen, de
huidige kustduinen, sloten de monding van de Rijn geheel af. Ook bedekten ze een
deel van het oude duinlandschap.
Doordat de Rijn werd afgesloten, vloeide het Rijnwater
zijwaarts tussen de duienrijen. Dit leidde tot een overvloedige plantengroei,
waardoor later weer veen werd gevormd. Deze veengronden voorzagen de bewoners
van de Bollenstreek, die klein in aantal waren, van brandstof. Uiteindelijk ging
de Rijn een zuidelijke richting volgen, door de Lek naar de monding van de Maas.
Het veen dat zich tussen en achter de strandwallen had gevormd werd vanaf de
Middeleeuwen ontgonnen, afgestoken en uitgebaggerd voor de turfwinning. De
plassen die hierdoor ontstonden groeiden door erosie aan tot een groot meer,
genaamd het Haarlemmermeer of Leidse Meer. In 1852 werd het meer drooggelegd.
Ontwikkeling van de
Bollenstreek
De komst van de Romeinen in 57 voor Christus is voor de Bollenstreek
van groot belang geweest. De Romeinse legers moesten worden gevoed en gekleed.
Er moest vervoer komen voor de akkerbouwproducten, vis, vlees en zuivel.
Van de Bollenstreek in de vroege Middeleeuwen is niet veel bekend. Leiden en
Haarlem bleven respectievelijk tot in de negende en tiende eeuw gehuchten.
Een groot bos dat "Hout" werd genoemd en waar de dorpen Voorhout en
Norodwijkerhout hun namen aan te danken hebben, strekte zich uit van Alkmaar tot
Sassenheim. De noord-zuid verbinding liep langs Rijnsburg, Noordwijk,
Bloemendaal en Velzen. In de veertiende eeuw werd een directe verbinding tussen
Haarlem en Leiden aangelegd en liep via Sassenheim, Lisse en Hillegom.
De dorpen die nu samen de Bollenstreek vormen waren
ambachten, bestuurd door een college van schout en schepenen. De graaf benoemde
de Schout en deze werd tegen het einde van de zestiende eeuw steeds meer als de
heer van het ambacht gezien. De dorpen langs de verbindingsweg", genaamd de
"Heerenweg", tussen Haarlem en Leiden hadden een of meer herbergen.
Veel reizigers kozen voor de postkoets in plaats van de gevaarlijke overtocht
per schip over het Haarlemmermeer. Een van de bekendste, nog bestaande,
herbergen is de "Oude Geleerde Man" in Bennebroek. Veel bronnen in de
zeventiende eeuw vermelden deze herberg al. Ook "De Witte Zwaan" in
Lisse was een bekende herberg.
In de achttiende eeuw waren in de Bollenstreek veel
klerenblekerijen gevestigd. Deze klerenblekerijen waren onder andere aanwezig in
Vogelenzang, Katwijk, Oegstgeest, Heemstede en Bennebroek. Men neemt aan dat de
ligging van de blekerijen verband houdt met de ligging van de grote steden. De
blekerijen werden vooral door mensen uit Limburg, België en Westfalen opgezet.
Het graven van de Trekvaart tussen Haarlem en Leiden geeft
de Bolenstreek in 1657 een belangrijke impuls. Van de Nederlandse trekvaarten is
de verbinding tussen Haarlem en Amsterdam de oudste (1636). Het lag voor de hand
deze trekvaart in zuidelijke richting door te trekken naar Leiden. In februari
1657 werd begonnen met de aanleg van de trekvaart. De aanlegkosten waren begroot
op 137.000 gulden. De trekvaart werd de belangrijkste verbinding tussen Haarlem
en Leiden. In 1804 veranderde deze positie omdat de weg tussen Haarlem en Leiden
werd bestraat. De welgestelden besloten zich voornamenlijk per postkoets te gaan
verplaatsen. Of wie het nog beter had huurde zelf een rijtuigje met paarden.
Halverwege de negentiende eeuw werd de spoorweg tussen Haarlem en Leiden langs
de trekvaart aangelegd. De spoorwegstations werden zo geplaatst dat het vervoer
met de trekschuit nog nauwelijks plaatsvond. De trekschuit speelde nog slechts
een rol in het plaatselijke verkeer. In 1880 werd door de komst van de tram die
tot na de Tweede Wereldoorlog reed, de genadeslag aan het transport per
trekschuit toegebracht.
Bolgewassen kennen we in Nederland al sinds de zestiende eeuw. Een Oostenrijkse
botanist, Carolus Clusius genaamd, introduceerde de bloembollen in Vlaanderen en
Holland. De eerste handelaren waren zogenaamde wortelsnijders die planten en
bollen in Zuid-Europa verzamelden en hier te koop aanboden. De tulp is afkomstig
van de steppen en hoogvlakten van Midden-Azië, van waaruit zij naar Perzië en
Turkije migreerde. De tulp was een van de eerste bolbloemen die in West- Europa
de aandacht trok.
De bolgewassen waren aanvankelijk weggelegd voor welgestelden. In de zeventiende eeuw werden de bloembollen ook door apothekers verspreid. Aan het gewas werd in die tijd een geneeskrachtige werking toegeschreven. De apothekers legden voorraden aan en vormden daarmee de eerste aanzet tot de bloembollenhandel. De eerste export van bloembollen vond in het begin van de zeventiende eeuw plaats. Rond 1635 deed zich de zoganaamde "tulpomanie" of "tulpenwoede" voor. Steeds meer welgestelde personen wilden een of meerdere tulpen kopen. De bloembol werd een beleggingsobject. Tussen 1634 en 1636 vertwintigvoudigden de prijzen zich. Voor een bloembol werd in deze tijd wel 5.000 gulden betaald.
In het begin van 1637 kenterde de tijd. De markt zakte als
een kaartenhuis ineen en veel speculanten bleven berooid achter. In de
kunstwereld liet de "tulpomania" talloze stillevens na. Wie een tulp
bezat liet deze kostbaarheid vereeuwigen. Kort na de "tulpomania"
ontwikkelde Haarlem zich tot bollenstad.
In de achttiende eeuw was het algemeen bekend dat Holland het enige land was
waar de bloembollen goed konden worden geteeld. De "huisbroei" , het
's winters in de woonkamer in bloei trekken van bloembollen, dateert al van
De Franse Revolutie deed de sociale verhoudingen veranderen
en stelde de "gewone mens" in staat bloemen en planten te kopen. Het
Haarlemse bloembollendistrict werd door de grote vraag naar bloembollen in
zuidelijke richting uitgebreid. Door de uitbreiding kwam een groot aantal bollen
op de markt, waarbij de prijzen sterk werden verlaagd. Kwekers bevonden zich
reeds in Lisse, Hillegom, Sassenheim, Noordwijk, Katwijk, Rijnsburg, Oegstgeest
en Warmond. In de laatste vier plaatsen betrof het vooral groentenkwekers voor
wie de bollenteelt een nevenbedrijf was.
De handel in bloembollen speelde zich voornamenlijk op openbare veilingen af. Er
werden steeds minder bollen rechtstreeks aan particulieren verkocht. In de
periode 1840-1860 trok de economie aan en steeds meer mensen gingen "in de
bollen". Het centrum van de bollenhandel verplaatse zich geleidelijk in de
richting van Hillegom en Lisse. Omstreeks 1930 waren alle bollenfirma's uit
Haarlem verdwenen. Deze ontwikkeling werd ook gevoed doordat de grondwaterstand
in de Bollenstreek zich verbeterde wat ten goede kwam aan de bloembollenteelt.
In 1965 beschikte de bloembollencultuur in totaal over meer dan
Door de oprukkende verstedelijking, de Bollenstreek bevindt
zich immers in de Randstad, bedraagt het bestaande bloembollenareaal slechts
Voor Nederland is de Bollenstreek een centrum van kennis, handel, organisatie en
initiatief dat behouden dient te worden. De zandgronden tussen Haarlem en Leiden
zijn van onschatbare waarde gebleken voor de bloembollencultuur.
Geraadpleegde literatuur:
Met het oog op de Bloembollenstreek, Ed Olivier
Van wildernisse tot bollenstreek, Tom Lodewijk