Nationaal Socialistische Beweging.

Dr.L.de Jong schrijft het navolgende in zijn "Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog"; de N.S.B. werd in 1931 opgericht door Anton Mussert. De N.S.B. was een beweging met een relatief groot ledenverloop, het aantal leden was in 1935  36.000, 1936  55.000, 1937  44.000, 1939  34.000 en in 1940  31.436.

In 1940 bleek ook dat, gerekend vanaf 1932, van elke drie ingeschreven leden er twee hadden bedankt. Het vermoedelijke aantal leden in Haarlem en omgeving lag rond de 1200. Wat de verdeling der leden over de diverse provincies betreft, kan worden opgemerkt dat twee van elke drie leden woonachtig waren in de provincies Noord- en Zuid-Holland (waar ruim 43% van de bevolking woonde). Het leden aantal lag in deze twee provincies echter ruim boven het landelijk gemiddelde.

Van de sociale samenstelling van het ledenkorps zijn gegevens bekend van 1936-1937 uit de NSB-kringen Haarlem-Zuid (een deel van Haarlem en Heemstede, Aerdenhout en Zandvoort), de Haarlemmermeer, Gooi-Noord (Weesp, Naarden Bussum en Huizen), Utrecht-Stad plus het oostelijk gedeelte van de provincie Utrecht, Sittard en Heerlen;

              159 landbouwers,
            1619 handarbeiders,  
              973 winkeliers,  
              789 kantoor en technisch personeel,  
              606 vrije beroepen,
              336 gepensioneerden en  
            1605  vrouwen
__________________________________________
totaal    6087 leden (1/8 van het totale ledenbestand)

Ter vergelijking een opgave van de structuur van de bevolking in 1930. Groepen in procenten van de totale arbeidsbevolking van de genoemde gemeenten in Zuid‑Kennemerland

 

Haarlem

Heemstede

Bloemendaal

Bennebroek

Zandvoort

Velsen

Nederland

Landbouw/visserij

0.9

4.3

2.3

9.9

1.4

4.9

8.2

Ambacht/industrie

18.6

10.5

6.3

8.6

13.1

16.5

15.6

Handel/verkeer

11.5

8.9

8.3

5.4

11.8

9.5

9.1

Huishoudelijke diensten

4.4

7.5

12.5

4.6

4.1

2.6

3.1

Maatschappelijke diensten

5.2

5.3

7.8

12.2

1.1

3.0

3.7

Losse werklieden

0.6

0.3

0.0

0.0

1.1

1.1

0.4

Beroepslozen

41.2

36.8

3732

40.7

35.4

37.6

40.1

BRPL

58.8

63.2

62.8

59.3

64.6

62.4

59.9

Er is in Haarlem gedurende de jaren 1935-1945 een vriendenkring welke gevormd wordt door Ans van der Aar, Els Boon, Anton Honkoop, Rie Mertz, Anton Pielage en Jet Huyboom. Van deze zijn een aantal met zekerheid lid geweest van de N.S.B. gedurende de oorlogsperiode. Het is niet met zekerheid vast te stellen dat Rie Mertz, Ans van der Aar en Jet Huyboom daadwerkelijk lid van de N.S.B. zijn geweest.

Volgens Kobus Boon, waren Ton Honkoop, zijn vrouw Els Boon, Jet Huyboom en Rie Mertz fanatieke aanhangers van de NSB/NAZI idealogie. Het denkbeeld 'Holland voor de Hollanders' en het idee "Groot Dietsland" (Nederland, Vlaams‑Belgie en een stukje van Noordwest Frankrijk - het Nederlands sprekende gedeelte van Noordwest Europa) vond bij de vier laatstgenoemden een goed gehoor. Een beknopte biografie van deze vriendenkring wordt hierna vermeldt om de personen te kunnen plaatsen.

Anthonius Zacharias Honkoop huwt met Elisabeth Boon (dochter van Jacobus Boon en Anna Clazina Mertz). In een brief, gedateerd 07.03.1946, schrijft Maria Weijers aan haar komende echtgenoot Pieter Maria Smeels het navolgende; "....De fam. Honkoop-Boon is ook voor 't gerecht geweest. De vader (Anton Honkoop) is vrijgesproken, de moeder (Elisabeth Boon) 1 jaar + fl. 1000,00 boete of 'n half jaar hechtenis en de dochter (Cecilia Honkoop) 5 jaar dwangarbeid. De familie Boon heeft geen contact gehad met het echtpaar tot aan begin 1970.

Jet Huyboom (dochter van Hendrikus Adrianus Huyboom en Catharina Bernardina Maria van Duffelen.

Johanna van der Aar (sinds 1932 weduwe van Gerardus Joannis Maria Mertz) huwt ten tweede male met Anton Pielage. Het echtpaar verhuist na 1945 naar Duitsland. De familie Pielage had een comestibleszaak in Haarlem en wensten geen kontakt meer met het echtpaar.  Anton Pielage heeft na afloop van de oorlog 2 jaar in hechtenis doorgebracht. Volgens Mies Weijers en Piet Smeels zijn Ton Pielage en Ans van der Aar door de handelswijze van Ton Pielage gedwongen geweest na 1944/45 naar Duitsland te verhuizen.

Maria Mertz (dochter van Johannes Mertz en Marijtje Bos). Volgens Kobus Boon heeft Herman Weijers (gehuwd met Rie's zuster Bets Mertz), Rie de toegang tot zijn huis aan de Eendrachtstraat geweigerd. De drie gezusters Mertz (Co, Rie en Siene) hebben tot rond 1945 bij elkaar gewoon op het bovenhuis aan de Leusderweg 145 te Amersfoort, boven de winkel van Kees van Nimwegen en Truus Mertz. De groep is met ruzie uiteengegaan. Er is door de familie altijd aangenomen dat de ruzie is ontstaan door het samen gaan wonen van Siene met Jo Putman, doch het uitkomen van de gezindheid van Rie Mertz zal hier zeker parten hebben gespeeld.

Door de invloed van door de Duitsers op overheidsposten aangestelde N.S.B-ers werden een flink aantal Duitse verordeningen in Nederland uitgevoerd.
Buiten dat de Duitsers een registratie op naam van alle Joden had ingesteld met de uiteindelijke bedoeling deze bevolkingsgroep uit de samenleving te verwijderen werd,in opdracht van Rijkscommissaris Seyss-Inquart (via het Ministerie van Binnenlandse Zaken) aan allen die in overheidsdienst waren een vragenlijst toegezonden waarin men moest verklaren of men al dan niet Jood was. Deze vragenlijsten zijn beter bekend als de 'Ariër-verklaring'. Hoeveel Nederlanders deze verklaring hebben ingevuld is niet precies bekend, wel zijn er een groot aantal weigeraars bekend waartegen door de Duitse overheerser maatregelen zijn genomen. Door deze verklaringen zouden de Joden op soort uit hun ambt worden ontslagen.

Wie was een Jood ?

Door de bepalingen van de beruchte Neurenberger wetten van 1935 werd als Jood beschouwd, hij of zij, die tenminste drie Joodse grootouders had. Seyss‑Inquart had in Nederland het volgende schema opgesteld;

            Voljood            -          iemand met drie of vier Joodse grootouders,

            Halfjood           -           iemand met twee of drie Joodse grootouders.

Belangrijk hierbij is dat, volgens de Joodse wetgeving, iemand als Joods kan worden ingeschreven als zijn/haar moeder een Jodin is. Voor een Jood met drie Joodse grootouders, waarvan er twee van het mannelijk geslacht waren  gold dat hij/zij als Halfjood werd ingeschreven. Waren er echter van de drie Joodse grootouders twee van het vrouwelijk geslacht dan werd deze Jood als Voljood beschouwd.

Een man/vrouw met een Joodse moeder en een anders gelovende vader stond wel als Halfjood te boek maar werd in de meeste gevallen ongemoeid gelaten. Terecht heeft Mr. Nijgh opgemerkt, ervan uitgaande dat voor die grootouders hetzelfde criterium voor 'Jood-zijn' gold, iemand (die zou kunnen bewijzen dat zijn vier grootouders allen naar afstamming 'onvoldoende' Joods waren) met recht kon beweren dat hijzelf geen enkele (vol-)Joodse grootouder had.

Gerardus Weijers (zoon van Stephanus Weijers en Anna Cornelia van Emmerik). Volgens opgave van Sien Weijers‑van Berkhout was Gerard vol lof over, en meegaand in de ideëen van de N.S.B. Het is echter onbekend of hij werkelijk lid der N.S.B. is geweest.

Nicolaas Petrus Weijers (zoon van Stephanus Weijers en Helena Maria Elisabeth Bos en neef van Stephanus Gerardus Weijers) was agent‑rechercheur bij de Gemeentepolitie te Haarlem en verklaart op 10.02.1941 te Haarlem dat ondanks nauwkeurige nasporingen bij hem geen omstandigheden bekend zijn die de veronderstelling doen wettigen dat hij, noch zijn echtgenote, van Joodse ouders of grootouders afstammen.

Stephanus Gerardus Weijers (zoon van Petrus Weijers en Helena Maria Kleijn en neef van Nicolaas Petrus Weijers) muzikant bij de Politie Opleiding Schalkhaar (POB), verklaart op 02.02.1943 te Schalkhaar dat ondanks nauwkeurige nasporingen bij hem geen omstandigheden bekend zijn die de veronderstelling doen wettigen dat hij, noch zijn toekomstige echtgenote, van Joodse ouders of grootouders afstammen.

Binnen dorpsgrenzen geen last van ‘moffenknechten’
P.O.B
. bezorgt dorp Schalkhaar ongunstige naam
door Rudy Brouwer
(Bronnen: ‘Reisgids voor de Tweede Wereldoorlog’ van Femke Deen, Maurice Blessing en Marieke Prins en ‘De Schalkhaarders’ van Jan Jaap Kelder)

De naam van ons dorp is voor veel landgenoten die de bezetting hebben gemaakt een beladen plaatsnaam. Voor hen is ‘Schalkhaar’ nog altijd synoniem voor de plek waar een nationaal-socialistisch getinte en naar Duits model ingerichte nazistische opleiding, het Politie Opleidings Bataljon (P.O.B.), was gevestigd. In de zojuist afgebouwde plaatselijke Westenbergkazerne werd tijdens de oorlog, als direct gevolg van slap optreden van de toenmalige politie bij de Februari-stakingen, een op bevel van de Duitsers opgerichte politieschool ondergebracht. Iedereen die na mei 1941 bij de Nederlandse politie solliciteerde, moest aan de Westenbergkazerne in Schalkhaar een op nazi-ideologie gestoelde militaristische training volgen. Ook ervaren agenten werden er, onder supervisie van de Höhere SS- und Polizeiführer Rauter, trouwens als zodanig ‘bijgeschoold’.

De politieaspiranten leerden er van alles, behalve goed Nederlanderschap, beweerden kwade tongen al snel. Begin 1942 rondde de eerste lichting de opleiding af en werden de cursisten verspreid over korpsen in het hele land. Al in september 1942 werden ze voor hun harde optreden tegen de joden en hulp bij razzia’s in Amsterdam in de illegale pers afgeschilderd als ‘onderwereldfiguren en brave moffenknechten’. Terwijl de leerlingen van de politieschool fier zingend door de straten van ons dorp Schalkhaar marcheerden en sportief oefenden op het aanpalende natuurterrein Wechelerveld verkregen de P.O.B.’ers in de Hollandse volksmond zo stilaan de weinig gunstig gezinde bijnamen Schalkhaarders’ en ook wel Zwarte Tulpen.

Toch leefde later ook wel de opvatting dat een deel van de ‘Schalkhaarders’ als goede vaderlanders kon worden beschouwd. Aanvankelijk waren het vooral vrijwilligers geweest die de Westenbergkazerne betraden; onwetende jonge mannen die een baan wilden om te voorkomen dat ze naar Duitsland werden gestuurd voor dwangarbeid (Arbeitseinsatz). Een beetje naïef was dat wel, want uit de functie eisen - onder meer niet joods/kleurling - was wel te verwachten welke kant het met de P.O.B. op zou gaan. Gaandeweg de opleiding kregen deze vrijwillige intreders afkeer van de aan hun geboden nazistische opleiding. Sommige van hen verzetten zich tegen de nationaal-socialistische lesstof en weigerden zich te laten ‘omscholen’. Anderen weigerden überhaupt te gaan en doken onder om aan die bijscholingsplicht te ontkomen.

Na de oorlog verkondigde een ex-‘Schalkhaarder’ zelfs dat maar liefst tachtig procent van zijn medeleerlingen ‘goed’ zou zijn geweest. In Schalkhaar legerden dus niet alleen pro-Duitse opgewekt marcherende soldaten, maar ook een flink aantal tegenstribbelaars. Infiltranten van het Nederlands verzet. Sterker nog, na verloop van tijd kwam vast te staan dat P.O.B. ‘ers zich hadden beziggehouden met regelrechte sabotage van de politieopleiding. In Tilburg, Rotterdam en Den Haag, maar ook elders in het land waren problemen met ‘Schalkhaarders’ die anti-Duits bleken. Zij hadden wapens ontvreemd, bleken spionnen te zijn vanuit het verzet en de ondergrondse. Dat is ook de reden geweest dat Rauter het uiteindelijk niet aandurfde om de standaard met karabijn uitgeruste ‘Schalkhaarders’ mee te laten strijden met de Duitsers. Zij konden zich dan immers van binnenuit gemakkelijk tegen de bezetter keren. In augustus/september 1944 werden zelfs diverse compagnieën P.O.B.’ers opgeheven vanwege twijfel over hun oprechtheid en betrouwbaarheid.

Dus waren de leerlingen van het Politie Opleidings Bataljon, ‘de Schalkhaarders’, nu overwegend goed of fout? De term ‘Schalkhaarder’ laat volgens Jan Jaap Kelder in zijn boek ‘De Schalkhaarders’ vrijwel evenveel mogelijkheden open als de omschrijving ‘politieman in bezettingstijd’. Duidelijk is dat de geschiedenis van Schalkhaar in de Tweede Wereldoorlog natuurlijk véél meer omvat dan alleen de voor de dorpelingen over het algemeen ‘vredige’ aanwezigheid van het P.O.B. in ons dorp. De traumatische beschietingen en het onderduiken in kelders tijdens de bevrijding speelden - dat blijkt wel uit de verhalen in dit boek - voor veel inwoners een veel grotere rol in die herinneringen.