Nationaal
Socialistische
Beweging.
In
1940 bleek ook dat, gerekend vanaf 1932, van elke drie ingeschreven leden er
twee hadden bedankt. Het vermoedelijke aantal leden in Haarlem en omgeving lag
rond de 1200. Wat de verdeling der leden over de diverse provincies betreft, kan
worden opgemerkt dat twee van elke drie leden woonachtig waren in de provincies
Noord- en Zuid-Holland (waar ruim 43% van de bevolking woonde). Het
leden aantal lag in deze twee provincies echter ruim boven het landelijk
gemiddelde.
Van
de sociale samenstelling van het ledenkorps zijn gegevens bekend van
1936-1937 uit de NSB-kringen Haarlem-Zuid (een deel van Haarlem
en Heemstede, Aerdenhout en Zandvoort), de Haarlemmermeer, Gooi-Noord (Weesp,
Naarden Bussum en Huizen), Utrecht-Stad plus het oostelijk gedeelte van de
provincie Utrecht, Sittard en Heerlen;
159
landbouwers,
1619 handarbeiders,
336
gepensioneerden en
__________________________________________
totaal
6087 leden (1/8 van het totale
ledenbestand)
Ter vergelijking een
opgave van de structuur van de bevolking in 1930. Groepen in procenten van de
totale arbeidsbevolking van de genoemde gemeenten in Zuid‑Kennemerland
|
|
Haarlem |
Heemstede |
Bloemendaal |
Bennebroek |
Zandvoort |
Velsen |
Nederland |
|
Landbouw/visserij |
0.9 |
4.3 |
2.3 |
9.9 |
1.4 |
4.9 |
8.2 |
|
Ambacht/industrie |
18.6 |
10.5 |
6.3 |
8.6 |
13.1 |
16.5 |
15.6 |
|
Handel/verkeer |
11.5 |
8.9 |
8.3 |
5.4 |
11.8 |
9.5 |
9.1 |
|
Huishoudelijke diensten |
4.4 |
7.5 |
12.5 |
4.6 |
4.1 |
2.6 |
3.1 |
|
Maatschappelijke diensten |
5.2 |
5.3 |
7.8 |
12.2 |
1.1 |
3.0 |
3.7 |
|
Losse werklieden |
0.6 |
0.3 |
0.0 |
0.0 |
1.1 |
1.1 |
0.4 |
|
Beroepslozen |
41.2 |
36.8 |
3732 |
40.7 |
35.4 |
37.6 |
40.1 |
|
BRPL |
58.8 |
63.2 |
62.8 |
59.3 |
64.6 |
62.4 |
59.9 |
Er
is in Haarlem gedurende de jaren 1935-1945 een vriendenkring welke gevormd wordt
door Ans van der Aar, Els Boon, Anton Honkoop, Rie Mertz, Anton Pielage en Jet
Huyboom. Van deze zijn een aantal met zekerheid lid geweest van de N.S.B.
gedurende de oorlogsperiode. Het is niet met zekerheid vast te stellen dat Rie
Mertz, Ans van der Aar en Jet Huyboom daadwerkelijk lid van de N.S.B. zijn
geweest.
Volgens
Kobus Boon, waren Ton Honkoop, zijn vrouw Els Boon, Jet Huyboom en Rie Mertz
fanatieke aanhangers van de NSB/NAZI idealogie. Het denkbeeld 'Holland voor de
Hollanders' en het idee "Groot Dietsland" (Nederland, Vlaams‑Belgie
en een stukje van Noordwest Frankrijk - het Nederlands sprekende gedeelte van
Noordwest Europa) vond bij de vier laatstgenoemden een goed gehoor. Een beknopte
biografie van deze vriendenkring wordt hierna vermeldt om de personen te kunnen
plaatsen.
Anthonius
Zacharias Honkoop huwt met Elisabeth Boon (dochter van Jacobus Boon en Anna
Clazina Mertz). In een brief, gedateerd 07.03.1946, schrijft Maria Weijers aan
haar komende echtgenoot Pieter Maria Smeels het navolgende; "....De fam.
Honkoop-Boon is ook voor 't gerecht geweest. De vader (Anton Honkoop) is
vrijgesproken, de moeder (Elisabeth Boon) 1 jaar + fl. 1000,00 boete of 'n half
jaar hechtenis en de dochter (Cecilia Honkoop) 5 jaar dwangarbeid. De familie
Boon heeft geen contact gehad met het echtpaar tot aan begin 1970.
Jet
Huyboom (dochter van Hendrikus Adrianus Huyboom en Catharina Bernardina
Maria van Duffelen.
Johanna
van der Aar (sinds 1932 weduwe van Gerardus Joannis Maria Mertz) huwt ten tweede
male met Anton Pielage. Het echtpaar verhuist na 1945 naar Duitsland. De familie
Pielage had een comestibleszaak in Haarlem en wensten geen kontakt meer met het
echtpaar. Anton Pielage heeft na
afloop van de oorlog 2 jaar in hechtenis doorgebracht. Volgens Mies Weijers en
Piet Smeels zijn Ton Pielage en Ans van der Aar door de handelswijze van Ton
Pielage gedwongen geweest na 1944/45 naar Duitsland te verhuizen.
Maria
Mertz (dochter van Johannes Mertz en Marijtje Bos). Volgens Kobus Boon heeft
Herman Weijers (gehuwd met Rie's zuster Bets Mertz), Rie de toegang tot zijn
huis aan de Eendrachtstraat geweigerd. De drie gezusters Mertz (Co, Rie en Siene)
hebben tot rond 1945 bij elkaar gewoon op het bovenhuis aan de Leusderweg 145 te
Amersfoort, boven de winkel van Kees van Nimwegen en Truus Mertz. De groep is
met ruzie uiteengegaan. Er is door de familie altijd aangenomen dat de ruzie is
ontstaan door het samen gaan wonen van Siene met Jo Putman, doch het uitkomen
van de gezindheid van Rie Mertz zal hier zeker parten hebben gespeeld.
Door
de invloed van door de Duitsers op overheidsposten aangestelde N.S.B-ers werden
een flink aantal Duitse verordeningen in Nederland uitgevoerd.
Buiten
dat de Duitsers een registratie op naam van alle Joden had ingesteld met de
uiteindelijke bedoeling deze bevolkingsgroep uit de samenleving te verwijderen
werd,in opdracht van Rijkscommissaris Seyss-Inquart (via het Ministerie
van Binnenlandse Zaken) aan allen die in overheidsdienst waren een vragenlijst
toegezonden waarin men moest verklaren of men al dan niet Jood was. Deze
vragenlijsten zijn beter bekend als de 'Ariër-verklaring'. Hoeveel
Nederlanders deze verklaring hebben ingevuld is niet precies bekend, wel zijn er
een groot aantal weigeraars bekend waartegen door de Duitse overheerser
maatregelen zijn genomen. Door deze verklaringen zouden de Joden op soort uit
hun ambt worden ontslagen.
Wie
was een Jood ?
Door
de bepalingen van de beruchte Neurenberger wetten van 1935 werd als Jood
beschouwd, hij of zij, die tenminste drie Joodse grootouders had. Seyss‑Inquart
had in Nederland het volgende schema opgesteld;
Voljood
- iemand
met drie of vier Joodse grootouders,
Halfjood -
iemand met twee of drie Joodse grootouders.
Belangrijk
hierbij is dat, volgens de Joodse wetgeving, iemand als Joods kan worden
ingeschreven als zijn/haar moeder een Jodin is. Voor een Jood met drie Joodse
grootouders, waarvan er twee van het mannelijk geslacht waren
gold dat hij/zij als Halfjood werd ingeschreven. Waren er echter van de
drie Joodse grootouders twee van het vrouwelijk geslacht dan werd deze Jood als
Voljood beschouwd.
Een
man/vrouw met een Joodse moeder en een anders gelovende vader stond wel als
Halfjood te boek maar werd in de meeste gevallen ongemoeid gelaten. Terecht
heeft Mr. Nijgh opgemerkt, ervan uitgaande dat voor die grootouders hetzelfde
criterium voor 'Jood-zijn' gold, iemand (die zou kunnen bewijzen dat zijn
vier grootouders allen naar afstamming 'onvoldoende' Joods waren) met recht kon
beweren dat hijzelf geen enkele (vol-)Joodse grootouder had.
Gerardus
Weijers (zoon van Stephanus Weijers en Anna Cornelia van Emmerik). Volgens
opgave van Sien Weijers‑van Berkhout was Gerard vol lof over, en meegaand
in de ideëen van de N.S.B. Het is echter onbekend of hij werkelijk lid der N.S.B.
is geweest.
Nicolaas
Petrus Weijers (zoon van Stephanus Weijers en Helena Maria Elisabeth Bos en neef
van Stephanus Gerardus Weijers) was agent‑rechercheur bij de
Gemeentepolitie te Haarlem en verklaart op 10.02.1941 te Haarlem dat ondanks
nauwkeurige nasporingen bij hem geen omstandigheden bekend zijn die de
veronderstelling doen wettigen dat hij, noch zijn echtgenote, van Joodse ouders
of grootouders afstammen.
Stephanus
Gerardus Weijers (zoon van Petrus Weijers en Helena Maria Kleijn en neef van
Nicolaas Petrus Weijers) muzikant bij de Politie Opleiding Schalkhaar (POB), verklaart op 02.02.1943 te
Schalkhaar dat ondanks nauwkeurige nasporingen bij hem geen omstandigheden
bekend zijn die de veronderstelling doen wettigen dat hij, noch zijn toekomstige
echtgenote, van Joodse ouders of grootouders afstammen.
Binnen
dorpsgrenzen geen last van ‘moffenknechten’
P.O.B. bezorgt dorp
Schalkhaar ongunstige naam
door Rudy Brouwer
(Bronnen: ‘Reisgids voor de Tweede Wereldoorlog’ van Femke Deen, Maurice
Blessing en Marieke Prins en ‘De Schalkhaarders’
van Jan Jaap Kelder)
De
politieaspiranten leerden er van alles, behalve goed Nederlanderschap, beweerden
kwade tongen al snel. Begin 1942 rondde de eerste lichting de opleiding af en
werden de cursisten verspreid over korpsen in het hele land. Al in september
1942 werden ze voor hun harde optreden tegen de joden
en hulp bij razzia’s in Amsterdam in de illegale pers afgeschilderd als
‘onderwereldfiguren en brave moffenknechten’. Terwijl de leerlingen van de
politieschool fier zingend door de straten van ons dorp Schalkhaar marcheerden
en sportief oefenden op het aanpalende natuurterrein Wechelerveld
verkregen de P.O.B.’ers
in de Hollandse volksmond zo stilaan de weinig gunstig gezinde bijnamen ‘Schalkhaarders’
en ook wel Zwarte Tulpen.
Toch
leefde later ook wel de opvatting dat een deel van de ‘Schalkhaarders’
als goede vaderlanders kon worden beschouwd. Aanvankelijk waren het vooral
vrijwilligers geweest die de Westenbergkazerne
betraden; onwetende jonge mannen die een baan wilden om te voorkomen dat ze naar
Duitsland werden gestuurd voor dwangarbeid (Arbeitseinsatz).
Een beetje naïef was dat wel, want uit de functie eisen - onder meer niet
joods/kleurling - was wel te verwachten welke kant het met de P.O.B.
op zou gaan. Gaandeweg de opleiding kregen deze vrijwillige intreders
afkeer van de aan hun geboden nazistische opleiding.
Sommige van hen verzetten zich tegen de nationaal-socialistische lesstof en
weigerden zich te laten ‘omscholen’. Anderen weigerden überhaupt te gaan en
doken onder om aan die bijscholingsplicht te ontkomen.
Na
de oorlog verkondigde een ex-‘Schalkhaarder’
zelfs dat maar liefst tachtig procent van zijn medeleerlingen ‘goed’ zou
zijn geweest. In Schalkhaar legerden dus niet alleen pro-Duitse opgewekt
marcherende soldaten, maar ook een flink aantal tegenstribbelaars. Infiltranten
van het Nederlands verzet. Sterker nog, na verloop
van tijd kwam vast te staan dat P.O.B. ‘ers
zich hadden beziggehouden met regelrechte sabotage van de politieopleiding. In
Tilburg, Rotterdam en Den Haag, maar ook elders in
het land waren problemen met ‘Schalkhaarders’
die anti-Duits bleken. Zij hadden wapens ontvreemd, bleken spionnen te zijn
vanuit het verzet en de ondergrondse. Dat is ook de reden geweest dat Rauter
het uiteindelijk niet aandurfde om de standaard met karabijn uitgeruste ‘Schalkhaarders’
mee te laten strijden met de Duitsers. Zij konden zich dan immers van binnenuit
gemakkelijk tegen de bezetter keren. In augustus/september 1944 werden zelfs
diverse compagnieën P.O.B.’ers
opgeheven vanwege twijfel over hun oprechtheid en betrouwbaarheid.
Dus
waren de leerlingen van het Politie Opleidings
Bataljon, ‘de Schalkhaarders’, nu overwegend
goed of fout? De term ‘Schalkhaarder’ laat
volgens Jan Jaap Kelder in zijn boek ‘De Schalkhaarders’
vrijwel evenveel mogelijkheden open als de omschrijving ‘politieman in
bezettingstijd’. Duidelijk is dat de geschiedenis van Schalkhaar in de Tweede
Wereldoorlog natuurlijk véél meer omvat dan alleen de voor de dorpelingen over
het algemeen ‘vredige’ aanwezigheid van het P.O.B.
in ons dorp. De traumatische beschietingen en het onderduiken in kelders tijdens
de bevrijding speelden - dat blijkt wel uit de verhalen in dit boek - voor veel
inwoners een veel grotere rol in die herinneringen.