Willem
van den Hoonaard.
Onderwijzer
te Hillegersberg en schrijver van schoolboeken door F.J. Huiskamp.
Met
toestemming van de schrijver overgenomen uit het Rotterdams Jaarboekje 2000
p.222 -236
Over
schoolmeesters uit de eerste helft van de vorige eeuw is niet veel bekend. Hun
levensgeschiedenissen werden alleen maar beschreven als zij gestorven waren en
een glanzende loopbaan als schoolopziener achter de rug hadden. Sommigen van hen
treffen wij dan ook aan in het Biographisch Woordenboek der Nederlanden (Haarlem
1852 e.v.) van A.J. van der Aa of het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek
(Leiden 1911) van PC. Molhuysen en P.J. Blok. Toch hebben ook andere
schoolmeesters hun sporen nagelaten; deze zijn in bibliotheken en archieven min
of meer te volgen. Het betreft dan meestal schoolmeesters die als auteurs van
schoolboeken enige faam genoten hebben. In Hillegersberg was Willem van den
Hoonaard zo'n onderwijzer waarover nog wel iets na te speuren viel, ook al
ontbreken de meeste persoonlijke blijken van bestaan, zoals brieven. Een poging
om hem enigszins aan het verleden te ontrukken, volgt hierna.
In
de eerste decennia van de negentiende eeuw groeide het besef dat goed onderwijs
een belangrijke rol speelde bij de ontwikkeling van het volk. De idealen van de
Verlichting en de werkzaamheden van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
leverden voor deze denkbeelden de nodige voedingsstoffen. Van meet af aan was
het duidelijk dat naast de bouw van betere schoolgebouwen iets gedaan moest
worden aan de opleiding van de onderwijzers. Daarvoor was het nodig dat deze
lieden goed materiaal in handen kregen waarmee en waardoor er verantwoord les
kon worden gegeven.
Rondom
1800 was de toestand op dit terrein erbarmelijk. Verreweg de meeste leerlingen
leerden lezen en schrijven aan de hand van zogeheten Haneboekjes, aangevuld met
de Heidelbergse Catechismus. De methodiek van de onderwijzers bestond uit het
oneindig lang laten oefenen van de teksten, zonder dat er sprake was van enig
didactisch inzicht.
De wet op het lager onderwijs van 1806 gaf richting aan de gewenste
veranderingen. Er werd een stelsel van districten gevormd waarbinnen
schoolopzieners de scepter droegen. Zij kregen daardoor meer greep op de
gemeente- en provinciale besturen om schoolgebouwen te doen verbeteren en de
kwaliteit van de sollicitanten naar de schoolmeestersfunctie te toetsen. In 1816
werd deze wet getekend door koning Willem 1 en meer algemeen toegepast dan in de
eraan voorafgaande hectische oorlogsjaren mogelijk was geweest. In Lier en
Haarlem kwamen kweekscholen; de directeur van de Haarlemse kweekschool, P. J.
Prinsen, leverde een belangrijke stap in de gewenste richting door het
ontwikkelen van een succesvolle lees- en spelmethode. De onderwijzers werden geëxamineerd
en konden opeenvolgende klassen (rangen) worden aangesteld. Zo kwam een
onderwijzer van de eerste rang uiterst zelden voor: de moeilijkheidsgraad van
het vereiste examen stond daar wel borg voor.
Het gebrek aan lesmethoden was schrijnend. Het is niet verwonderlijk dat sommige
schoolopzieners vertrouwde onderwijzers uit hun district aanspoorden om voor de
vakken lezen, schrijven, aardrijkskunde en geschiedenis zelf leerboekjes te
schrijven. In veel gevallen brachten zij hen in aanraking met uitgeverijen als
D. Du Mortier en Zoon te Leiden, Schalekamp en Van de Grampel te Amsterdam en
Mensing en Van Westreenen te Rotterdam.
De lotgevallen en werkzaamheden van deze auteurs zijn nog weinig beschreven,
laat staan in kaart gebracht. In het kort kan gesteld worden dat tussen 1800 en
1840 zo'n 200 schoolmeesters, leraren, rectoren en schoolopzieners leerboekjes
hebben geproduceerd.
Leven
en werken van Willem van den Hoonaard
Willem van den Hoonaard werd op 30 juni 1788 te Abbenbroek op het eiland Voorne
geboren als zoon van de landbouwer Gerrit van den Hoonaard en Adriana Veerman.
In 1813 werd hij benoemd tot schoolmeester te Hillegersberg; hij betrok daar de
woning naast het schoolgebouw aan de Kerkstraat nr. 33. Van den Hoonaard is
tweemaal getrouwd geweest. Het eerste huwelijk was met Teuntje Jongejan en het
tweede, op 6 juni 1827, met Antje Stolwijk, geboren 2 oktober 1797 te
Hillegersberg. Uit het tweede huwelijk werden vier kinderen geboren: Adriana
Wilhelmina, geboren 17 februari 1829 (zij trouwde in 1853 te Soerabaja);
Magdalena Johanna, geboren 28 juni 1832 (zij overleed 25 april 1852); Maria,
geboren 31 januari 1837; Simon Johannes, geboren 21 februari 1839 (hij overleed
7 november 1853). Willem van den Hoonaard stierf 1 juni 1862 op 74-jarige
leeftijd te Hillegersberg.Zijn vrouw overleefde hem niet lang; zij stierf 3
februari 1864 te Hillegersberg.
In
een toespraak die Van den Hoonaard op 21 juli 1855 hield voor een
onderwijzersgezelschap uit zijn district vertelde hij iets uit zijn
onderwijsloopbaan. Nadat hij als kwekeling en ondermeester te Brielle, Zuidland
en Pernis had gewerkt, werd hij in 1805 benoemd tot onderwijzer van de tweede
klasse aan de bijzondere school te Maassluis. Zijn vorming had tot dan toe
bestaan uit louter mede onderrichten van werktuigelijk lezen, schrijven en
rekenen. Hij herinnerde zich de klasseninrichting met de grote lessenaar voor de
onderwijzer, de dubbele tafels voor de schrijvers en de losse bankjes voor de
kleintjes. Uit het Haneboek leerde hij de letters, uit het 0nze Vaderen de
Catechismus het spellen en lezen. Die kunst zette hij voort door de Historie
Davids en de Spreuken Salomons te verwerken en het geheel te voltooien met de
Rotterdamsche Courant en oude transportbrieven, zonder dat daarbij het leren
verwerken van de inhoud ter sprake kwam. Bartjens' rekenopgaven leerden hem
mechanische bewerkingen, zonder dat er begrip voor getal en hoeveelheden werd
gewekt. Zoals hij zelf les had gekregen van een aardige goedwillende leraar, zo
moest hij het als kwekeling doen met het volgen van dezelfde werkzaamheden
verricht door andere schoolmeesters.
Toch hadden beginnende onderwijzers behoefte aan meerdere vakkennis en mede door
de informatie die de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen verspreidde en door
het zelfstandig bestuderen van taalkundige werken als van Weiland en Siegenbeek,
van het Natuurkundig schoolboek van Buys en van Westers Schoolboek der
geschiedenissen van ons Vaderland groeide de bekwaamheid van deze idealistische
jonge leraren. In 1806 werd de eerste onderwijswet aangenomen, waarbij onder
meer het onderzoek naar de bekwaamheden der onderwijzers voor vier verschillende
rangen werd omschreven. De schoolopziener B. Spoelstra ried hem aan om zich bij
de eerste gelegenheid die zich voordeed te laten examineren als onderwijzer van
een dezer rangen.
Samen
met een aantal andere jongeren bereidde Van den Hoonaard zich voor op het examen
onderwijzer van de derde rang. Voor dit examen slaagde hij op 21 februari 1807
tijdens een vergadering van de Provinciale Schoolcommissie. In 1808 haalde hij
zijn tweede rang en solliciteerde in maart 1809 naar de betrekking van eerste
leermeester aan een van de Hervormde Diaconiescholen te Amsterdam. Na een
selectieperiode werd hij samen met drie andere sollicitanten toegelaten rot een
'Proefexamen'. Zij 'kregen een schrift met Fouten om derzelven te zuiveren en
tevens te analyseren naar de regels der Nederduytschen Taal - wijders ontvingen
zij ook eenige Rekenkundige voorstellen alsmede eenige woorden om te schrijven
in groot Middelslag en klein en tevens te caracteriseren zoo als het behoorde.
Terwijl drie kandidaten aan deze stof begonnen, werd de vierde door de commissie
ondervraagd. Deze moest voorlezen, zingen en met een zestal kinderen werken.
Alle kandidaten bleken zeer goed te zijn, maar 'in het geschiedkundig besef
alsmede in het Godsdienstig vak schenen [ze] de examinatoren zeer stroef te
wezen in kunnen antwoorden. Maar, verzuchtte de notulant: 'Dat wellicht kan
veroorzaakt wezen door de manier van voorstellen. Na een schriftelijke stemming
kwam Van den Hoonaard als eerste uit de bus. Hij werd voorgedragen en op 13
augustus 1809 benoemd in de Grote Vergadering van het schoolbestuur dat onder
voorzitterschap stond van J. Hazeu Czn. Hij werd geplaatst op de school aan de
Zeedijk die zo'n 200 leerlingen telde. Het bestuur huurde voor hem een woning
aan de Zeedijk bij het Kolkje, waarvan hij kamers mocht onderverhuren. In de
grote stad voelde Van den Hoonaard zich redelijk thuis. Tegelijkertijd hervatte
hij zijn studies en behaalde in 1811 zijn diploma voor de eerste rang. Hij werd
een enthousiast lid van de Amsterdamse onderwijzersvereniging die toen zo'n 90
leden telde. In het Atheneum volgde hij 's avonds lessen in meetkunde, algebra,
meevaart en sterrenkunde. Al met al zag het er gunstig voor hem uit.
Maar na de inlijving van ons land binnen het Franse keizerrijk in 1810, de
achteruitgang van 's lands financiën en de instorting van de welvaart in het
algemeen leidde tot daling van de inkomsten bij fondsen waaruit ook de hervormde
diaconie putte. Het gevolg was dat er scholen werden opgeheven en Van den
Hoonaard naar een nieuwe standplaats moest uitzien. Op 1 februari 1813 werd hij
voor het laatst door de schoolcommissie gevisiteerd. De waardering voor zijn
werk blijkt ook uit de aanbevelingen die de commissie op 29 juni 1812 en 24
december 1813 aan de scholen deed om zijn Rekenboek ten dienste der scholen
resp. zijn Leesboekje van gemengden inhoud aan te schaffen. In zijn Leesboekje
paste Van den Hoonaard verschillende lettersoorten toe, zoals romein, gotisch en
civilité. In een voorbericht bij de eerste uitgave uit 1813 richtte hij zich
tot zijn vroegere leerlingen aan de Diaconiescholen te Amsterdam. De leesstukjes
hebben naar het huidig inzicht een hoge moeilijkheidsgraad. Zo gaf hij bij wijze
van leesoefening een hoofdstukje waarin hij een handleiding voor zijn leeslesjes
voor eerstbeginnende geeft en een beeld van de gewenste schoolorganisatie
schetst. Andere lesjes vullen deze curieuze opsomming van onderwerpen aan en
gaan onder meer over aardrijkskunde, vaderlandse geschiedenis, Amsterdam en
vlas.
Van
den Hoonaard werd in februari 1813 benoemd in het landelijke dorpje
Hillegersberg, ten noorden van Rotterdam, waar hij zijn verdere loopbaan
gebleven is. Van de 5e van Louwmaand 181i dateert een brief die W. van den
Hoonaard , diaconie schoolonderwijzer, wonende op de Zeedijk bij het Kolksluisje
te Amsterdam', ontving. De kerkenraad, commissarissen en kerkmeesters van de
Hervormde Gemeente te Hillegersberg deelden hem mee een schrijven van de 'heer
Maire' te hebben gekregen waarin Van den Hoonaards voorgenomen aanstelling als
onderwijzer werd bevestigd. Daarbij had hij ook de post van koster en voorzanger
verkregen. De inkomsten die hij zou verwerven, stonden vermeld in de officiële
aanstellingsbrief. Zo werd hij aangesteld in het 8ste district van de Provincie
Zuid-Holland onder het toeziend oog van de schoolopziener N. Messchaert. Een en
ander was niet zo soepel verlopen als men zou verwachten. Sinds 1810 liep veel
Officiële correspondentie over Parijs. Zo ook de ondertekening van Zijn
onderwijzersakte voor de eerste rang. De Grootmeester in Parijs had het in die
dagen waarschijnlijk te druk om zich met zo'n triviaal schrijven te belasten. De
gewenste reactie bleef namelijk uit, waardoor de benoeming van Van den Hoonaard
in gevaar kwam. Dankzij het ingrijpen van de schoolopziener N. Messchaert en de
behulpzaamheid van de Inspecteur-Generaal der keizerlijke Universiteiten in
Holland, A. van den Ende, kwam alles in orde. De akte werd ondertekend en de
benoeming vond plaats.
In 1817 was Van den Hoonaard betrokken bij de oprichting van het
onderwijzersgezelschap in zijn district. Hierin werden onder voorzitterschap van
de schoolopziener de belangen van het onderwijs besproken, de plaatselijke
omstandigheden in overweging genomen en stond men elkaar met raad en daad bij.
Van den Hoonaard vertelde dat hij een zeer bevredigende loopbaan in het
onderwijs had, maar er ware ook moeilijkheden en teleurstellingen. Veel
leerlingen ontbrak het aan aanleg of goede wil. Velen gingen zeer ongeregeld
naar school en verlieten deze voor ze voldoende waren opgeleid voor het
maatschappelijk leven. De ouders toonden nauwelijks belangstelling en werkten
weinig mee. Ook de eigen huiselijke omstandigheden van de laatste jaren hadden
een schadelijke uitwerking op zijn lesgeven.
Als inwoner van Hillegersberg was Van den Hoonaard zeer geïnteresseerd in de
geschiedenis van zijn dorp. Hij kreeg een handschrift onder ogen, vervaardigd
door Jacob Lois, secretaris van de stad Rotterdam aan het einde van de
zeventiende eeuw. In dit handschrift werd het 'Reuzenhuis' genoemd. Het wapen
van Hillegersberg vertoont een vrouwtje met een schort gevuld met zand. Volgens
een oude overlevering stelde zij de reuzin Hillegonda voor die op een zandheuvel
haar reuzenverblijf stichtte. Het onderzoek dat Van den Hoonaard verrichtte,
resulteerde in zijn boek Geschiedkundige en Topographische beschrijving van de
dorpen Hillegersberg en Bergschenhoek, dat in 1824 verscheen.
Ook de geschiedschrijving van de naburige stad Rotterdam had zijn
belangstelling. Van den Hoonaard had al lang uitgezien naar een leer- en
leesboekje over Rotterdam. Toen verschijning van een dergelijke uitgave
uitbleef, besloot hij zelf in de gevoelde behoefte te voorzien. In 1825
verscheen zijn Korte aardrijkskundige beschrijving der stad Rotterdam, twee jaar
later gevolgd door Korte geschiedenis der stad Rotterdam. In deze jaren
verschenen in tal van plaatsen schoolboekjes met plaatsbeschrijvingen, meestal
vervaardigd door onderwijzers, al of niet op instigatie van schoolopzieners. Het
uitgangspunt, met aardrijks- en geschiedkunde te beginnen om de leefwereld van
de kinderen dichtbij te brengen, is nog altijd onomstreden. De uitvoerigheid en
saaiheid waarmee een en ander op papier werd gebracht, zijn kenmerkend. Ook Van
den Hoonaard slaagde er niet in zichzelf te beperken, het soort vragen en
opdrachten dat men in dergelijke werkjes aantreft, ontbreken bij hem.
Op 21 augustus 1829 richtte Van den Hoonaard zich tot het gemeentebestuur van
Hillegersberg met een voorstel tot het inrichten van een schoolfonds. Dat fonds
zou gevuld moeten worden met bijdragen van financieel draagkrachtige ouders. Aan
hen zou zes gulden per leerling worden gevraagd. De gemeente zou dit bedrag
moeten bijpassen ten bate van minvermogenden. Uit het gehele bedrag zou het
onderwijs bekostigd worden. Op deze wijze konden alle kinderen uit de gemeente
onderwijs ontvangen. De reactie van het gemeentebestuur is niet bekend, maar in
1831 kwam Van den Hoonaard op de kwestie terug in een uitvoerige brochure,
getiteld: De zoo veel mogelijk algemeen making van het lager onderwijs. Hierin
betrok hij ook de verbetering van de sociale omstandigheden van het onderwijzend
personeel.
Zijn Toespraak beëindigde hij, na een overzicht van de verbeteringen die het
onderwijs zijns inziens had bereikt, met enige wensen die ons ook nu nog niet
vreemd in de oren klinken: 'eene meer juiste afbakening tusschen het lager en
middelbaar onderwijs; Bepalingen omtrent de opleiding van Onderwijzers;
Voorschriften tot verzekering van een behoorlijk bestaan aan den Onderwijzer der
Openbare lagere school, alsmede tot beveiliging tegen gebrek in zijn ouden dag.'
Over Van den Hoonaards dagelijks leven is verder jammer genoeg weinig te
vermelden. Er is nauwelijks correspondentie van hem of van zijn naasten bewaard
gebleven. Wel bewijzen enkele notariële akten dat hij soms gevraagd werd als
getuige op te treden. Zelfs wees een vriend en medeonderwijzer, G. van de Linde
Willemszoon, hem aan als voogd voor zijn dochter uit een eerder huwelijk. Dat
deed deze op 25 augustus 1836 bij het opstellen van een testament waarbij zijn
tweede echtgenote het vruchtgebruik van de eventuele nalatenschap zou
verkrijgen. Van den Hoonaard wordt hier en ook in vroegere stukken uit 1832
omschreven als 'kostschoolhouder'. Van zijn werkzaamheden als zodanig is niets
gevonden.
Toch krijgen we uit het weinige dat ons bekend is een beeld van een zeer sociaal
voelend mens, bekommerd om kinderen in armoedige omstandigheden en zich
bemoeiend met het lot van zijn collegas en vrienden. Hij uitte zich naar zijn
beste vermogen in woord en geschrift en betoonde zich de deugdzame man die
eigenlijk zichzelf als het beste voorbeeld van zijn pedagogische idealen kon
beschouwen.
In Rotterdam zijn drie straatnamen die de herinnering levend houden aan Willem
van den Hoonaard. De gemeenteraad van Rotterdam gaf in 1906 de naam Van den
Hoonaardstraat aan een zijstraat van de Bergweg. In 1932 eerde de gemeenteraad
van de voormalige gemeente Hillegersberg haar vroegere schoolmeester met een
singel: de Van den Hoonaardsingel. De overzijde van deze singel ontving in 1957
de naam Van den Hoonaardpad. Er zullen maar weinig Rotterdammers zijn die weten
naar wie deze straten zijn vernoemd. Hopelijk heeft dit artikel hierin enige
verandering gebracht.