Antonius (Ton) Klaver (1935-1996) was zeer geïntresseerd in genealogie in het algemeen en in de familie Klaver in het bijzonder. Hij heeft mij zijn "Klaverboek" uitgeleend in verband met de samenhang van de diverse stamlijnen (in mijn genealogie) waar deze naam in voorkomt. De afspraak met Ton was dat, als het zover zou zijn, ook zijn "Klavers" (op het internet) zouden worden gepubliceerd, helaas mocht Ton niet meer meemaken dat dit in maart 2001 werd gerealiseerd.
Henric Smeels
300 Jaren timmerde Klaver
'n Geschiedenis van ambacht,
huis en familie op Spierdijk en in de Wogmeer
door Johs. J. Duin
Dit boekje
werd uitgegeven ter gelegenheid van het 40-jarig priesterfeest van Johs. J. Duin
(heeroom Jan).
Aanvullingen
en verbeteringen te richten aan: Jan Duin Czn, Schoorlwal 37, 1791 HM Den Burg (Texel).
Inleiding.
Zonder twijfel zullen verschillende mensen deze bladzijden lezen en niet vinden wat zij zoeken, ook mensen die Klaver heten of Duin (Duyn), en die zelfs weten dat hun familie met de parochie Spierdijk verband heeft. Wat hier getracht is te brengen is het volgende: de voorouders in rechte lijn van de aannemer-timmerman Jan Duin en zijn echtgenote Maartje Klaver, de ouders van de schrijver. De geslachtslijsten dienen slechts als verduidelijking van de tekst. Vroeggestorven kinderen zijn meestal niet geregistreerd; in plaats van officiele latijnse namen zijn de verkorte vormen van de dagelijkse omgang gebruikt.
Tot aan de tijd van Napoleon was de geboorteregistratie bij de burgerlijke stand onbekend. De doopboeken van de pastoor waren de enige bronnen voor leeftijd en familieverhoudingen, in een katholiek dorp. Opgeeist door Napoleon berusten de doopboeken die ouder zijn dan 1800, in het Provinciaal Rijksarchief te Haarlem. Het gebruik van achternamen werd toen ook verplicht gesteld, maar nog lang bleef de schrijfwijze onzeker: Klaver en Claver; voor Duin en Duyn geldt hetzelfde; de schrijver van deze bladzijden heeft zich aangepast aan de vormen die nu bij de verschillende takken in gebruik zijn.
De Wogmeer die in 1612 droogviel, hoorde bij de katholieke parochie van Spierdijk. Spierdijk zelf echter was en is een kerkdorp; zelf geen eigen gemeente, maar verdeeld onder Berkhout (in welk gedeelte de kerk ligt), Obdam, en Spanbroek; de Wogmeer ligt gedeeltelijk in de gemeente Obdam, en gedeeltelijk in Hensbroek. Als geboorteplaats kan men dus in zekere zin kiezen.
Voor berichten ontleend aan brieven of gesprekken zijn de datums en berichtgevers zo nauwkeurig mogelijk aangegeven, zodat de lezer zelf kan beoordelen of de berichtgever het kon weten of niet. Tenslotte is geschiedenis altijd neergeschreven berichtgeving.
Johs. J. Duin, Hamar, Noorwegen, 9 maart 1976.
Geboortehuis, Klaverhuis, timmerij
De timmerman-aannemer Jan Duin Cz., mijn vader, stierf op 15 januari 1919, 37 jaar oud. Zijn weduwe bleef met vier kleine kinderen achter, waarvan de oudste zeven jaar was en de jongste drie maanden. Aan voortzetten van de aannemerszaak was niet te denken. In de loop van hetzelfde jaar 1919 verkocht zij huis en erf en zaak aan de heer Brouwer, uit Workum in Friesland, die de timmerij zou voortzetten. De tijden na de eerste wereldoorlog waren slecht. Voor Brouwer gingen de zaken dan ook verre van best, en slechts een paar jaar later verkocht hij het hele perceel aan de Spierdijker veehandelaar Piet Koppes.
Met haar vier kinderen verhuisde ons moeder naar "het huis van Jan Boos" aan de overkant van de weg, dat vader voorjaar 1918 op openbare veiling gekocht had; bij ons thuis ging het geboortehuis later onder de naam van "het huis van Koppes". Toen Koppes het perceel overnam, hield de timmerij op te bestaan; het huis werd weer "gewoon" boerenhuis: grote dorsdeuren kwamen in de plaats van de vroegere werkplaatsdeuren, waar grote glasruiten in waren geweest; de vroegere werkplaats werd weer dors, maar de grote spijkerbakken links tegen de binnenkamerwand herinneren nog altijd aan de timmerij van vroeger....
Hoe lang heeft huis en timmerij daar gestaan?
De eerste twee jaren van hun trouwen woonden onze ouders, Jan Duin Cz. en Ma (Maartje) Klaver, in de Kwakel bij Uithoorn, en later in Den Haag. Op 18 maart 1911 werd vader eigenaar van huis en erf en timmerij "door overschrijving ten hypotheekkantore te Hoorn", het schijnt dat de hypotheekhouders het geheel hadden overgenomen op de "publieke veiling gehouden door notaris H.B. Gottmer te Obdam op 13 maart 1911" (volgens de boedelscheiding van 11.07.1919). Hierdoor kwam de Klaver-timmerij onder een andere naam, iets wat opoe Klaver (Agatha Ursem, 15.06.1844-01.01.1923) "heel erg vond: want driehonderd jaren hadden er Klavers gewoond, en nu ging het over in Duin. Dat moest vader eens weten, zei ze", zo schreef haar dochter Dieuw, de latere Zuster Aloysio in een brief op 14.09.1947. Aangezien het kadaster in Alkmaar eerst begon te registreren rond het jaar 1840, hebben voorlopig geen andere aanwijzing voor de juistheid van deze "driehonderd jaren" dan het gezegde van opoe Klaver. Haar man, de timmerman Jan Klaver Pieterzoon, geboren op Spierdijk 26 mei 1845, kocht het huis en erf op 27 juli 1872, in het tweede jaar van zijn trouwen. Hun eerste kind Pieter was toen al geboren, onze latere "Oom Piet" (geb. 04.11.1871), maar bij zijn geboorte woonden de jonge ouders nog in bij hun vader en schoonvader Pieter Cornelisse Klaver, in de laatste boerderij voor de schilderswerkplaats van Hinke op Noord-Spierdijk.
Als verkopers van de timmerij staan geboekt de volle neven van de koper; Jan en Weyert Klaver Jz., de eerste "landman te Spierdijk, gemeente Berkhout" en de andere "broodbakker te Oosterblokker, gemeente Blokker". Dit alles volgens het "Bewijs van Eigendom" afgegeven door notaris J.C. Pan te Avenhorn op 27 juli 1872 (Aangezien de twee zoons van de gestorven Jan Cornelisse Klaver geen timmerman waren, en hun vader ruim 49 jaar was toen hij stierf, is het niet onwaarschijnlijk dat de koper, timmerman Jan Pieterzoon Klaver, al in de zaak werkte voor het overlijden van zijn oom). Hun vader Jan Cornelisse Klaver was gestorven en werd in december 1871 begraven op het kerkhof van Spierdijk. De twee zoons en erfgenamen waren nu eenmaal geen timmerlieden en verkopen dus de timmerij met huis van hun vader aan hun neef die wel timmerman is.Het tweede kind in het jonge timmermansgezin wordt geboren op 15 januari 1873 en wordt vernoemd naar grootvader Kees Ursem, maar dan wonen de gelukkige ouders reeds in de onlangs gekochte timmerij.
De vorige eigenaar, Jan Cornelisse Klaver, broer van mijn overgrootvader Pieter Cornelisse Klaver, stierf dus eind 1871; hij was geboren op Spierdijk (25.10.1814), als tweede kind in het huwelijk van zijn ouders. Zijn vader, Cornelis Gerbrandse Klaver, werd ook reeds geboren op Spierdijk, 07.08.1787. De generatie ervoor, met andere worden vader Gerbrant Weyertse Klaver (geb. 15.10.1757) en diens broer Jan (geb. 23.07.1753) die later naar Spanbroek verhuisde en daar gemeente-secretaris werd, en nog een verdere broer Maarten (geb. 21.07.1756), werden allen, volgens het doopboek van Spierdijk, geboren in de Wogmeer; van laatstgenoemde Jan berichtte oom Weyert Duin in 1949: "geboren in het polderhuis van de Wogmeer", iets wat dan waarschijnlijk ook waar is voor Maarten en Gerbrant.
Het schijnt dus dat Gerbrant Weyertse Klaver uit de Wogmeer naar Spierdijk verhuist is: zijn kinderen worden immers op Spierdijk geboren. Dit verhuizen komt dan te liggen in het begin van de 1780-er jaren, niet onwaarschijnlijk toen hij trouwde (09.02.1783): bij die gelegenheid wordt hij namelijk nog geregistreerd als wonende "onder Hensbroek". Dat zijn zoon Cornelis Gerbrandse Klaver in ieder geval in de timmerij woonde rond 1860, bij een huisbezoek van de Spierdijker pastoor of kapelaan, vinden we in het register waarin de geestelijk (op huisbezoek) de namen en het geboortejaar van alle gezinsleden noteerde. De zoon van Cornelis Gebrandse, Jan Cornelisse, woont sinds 1864 op hetzelfde adres maar is al weduwnaar. Blijkbaar heeft hij samen met vader Cornelis de timmerzaak voorgezet, en na vaders dood overgenomen; want als hij zelf in 1871 sterft, staan zijn zonen Jan en Weyert als erfgenamen geboekt. Voorlopig schijnt dus het verhuizen van Gerbrant Weyertse Klaver, uit de Wogmeer naar Spierdijk, in het begin van de 1780-er jaren, het eerste tijdstip te zijn voor een zeker bestaan van de timmerij op Spierdijk. Mogelijk is natuurlijk, dat de timmerij toen reeds bestond, begonnen door Klavers van zijlijnen, maar louter veronderstellingen helpen ons niet verder.
Brand en onweer
Tot nu toe werd het "Klaverhuis" eerst en vooral beschouwd uit het oogpunt van de "zaak", de timmerij. Het huis als zodanig, het gebouw zelf, bleef meer op de achtergrond. In de jaren 1890 is het huis/timmerij echter tweemaal verbrand: in 1894 door onweer, en in 1896 door onbekende oorzaak. Toen in 1894 de bliksem had ingeslagen en een van de zonen in huis naar de koegang sprong om te zien hoe erg het was, stonden de planken van het hooischot half omgekeerd op hun plaats. Zoals meestal bij onweer viel er weinig te redden. Het op een na jongste kind in huis, mijn moeder, schreef in een brief op 17.03.1947: "Van ons oude huis weet ik niets van; ik was zeven jaar: toen is alles verbrand. Mijn vader stierf in '90 en in '94 is alles verbrand." Het tweemaal "alles" duidt wel aan, dat er uiterst weinig gered werd. Haar oudste zus Dieuw, de latere Zuster Aloysio, schreef ook in een brief op 14.09.1947: "Ik weet nog wel iets van de plank af, maar kan me er verder niets van herinneren, want die is in 1894 verbrand. En van een molen heb ik ook wel iets gehoord, en toch weet ik het niet meer.....en toen ben ik al gauw vertrokken, en dat was in 1902. Dat er oud gereedschap was weet ik ook nog wel, van 16......zoveel."
Het huis ter plaatse, bewoond door de tegenwoordige eigenaar Jan Baptist van Kampen (inmiddels overleden; in januari 1977 kocht Adriaan van Dam het perceel) die het circa 1954 kocht van Piet Koppes Jr., is dus gebouwd in 1896, na de tweede brand. Ofschoon het nog altijd een Westfries "boerenhuis" is, zijn de kleine kamers en de lage zoldering waarschijnlijk toch wel een blijvende aanduiding van de slechte financiele situatie van gezin en timmerij-Klaver in de jaren 1890, na twee branden en vaders vroegtijdige dood.
Bij alles wat in 1894 verbrandde, werd dus in het bijzonder "de plank" vermeld. In bovengenoemde brief antwoordde Zuster Aloysio op een vraag van mij, wat zij zich van "de plank" herinnerde, zonder dat ik verdere bij-zonderheden gaf, om haar niet het antwoord in de mond te leggen.
Gedeeltelijk van mijn moeder, en van haar broer "Oom Piet" die in 1945 overleden was, wist ik toen reeds, dat er in de timmerwinkel van voor 1894 een plank was met een geschiedenis erop. Die geschiedenis luidde zo ongeveer: "Op platte schuiten zijn we, met zoveel vaam hout, van Makkum naar hier gekomen om molens te bouwen". Een naam die op de plank genoemd werd, was "Wiert", bij de latere Klavers de oude Wiert genoemd. Wiert, Weyert, Wijnand, in de doopboeken soms Wiro, blijken allemaal uitgaven te zijn van eenzelfde naam.
In verband met deze voornaam schreef Zuster Aloysio in dezelfde brief van 1947: "....in de Wogmeer had men toen nog twee soorten Klaver, wat geen familie was (moet wel worden verstaan als: "geen direkte familie"). En een van die had een Wijnand; toen heeft moeder meermalen gezegd: "dat is vast in onze familie, anders bestond die naam niet, die is van de oude Wiert". Dat de voornaam Weyert in Westfriesland bij de familie Klaver hoort, of op een andere manier daar vandaan komt, is mij door de jaren, bij veel genealogisch onderzoek, meermalen bevestigd.
"Wij hadden ook nog een andere plank in de timmerwinkel hangen; die is ook verbrand. Daar vonden ze de beker van Jozef in de zak van Benjamin. Ongeveer een week voor de brand kon moeder er vijfhonderd gulden voor krijgen, maar moeder wilde hem niet kwijt", schreef Zuster Aloysio nog in haar zelfde brief. Later gevraagd hoe die plank er ongeveer uitzag, antwoordde zij in januari 1948: "U vroeg nog naar de grootte van de plank met schilderwerk, maar ik denk: zo 1 meter 25. Het kan ook wel 1,50 zijn, want u moet denken, ik was toen 14 jaar en dat is al 54 jaar geleden; dus dat ik dat precies niet meer weet, dat vind ik heel gewoon. Maar het was mooi en duidelijk, donkerrood bruin en geel; zoiets als Rembrandt altijd kleurt, dan weet U het wel".
De eerste plank, die met de Klaver-geschiedenis, interesseert ons echter meer. Navraag werd gedaan bij mijn neef Jan Klaver, als zoon van Weyert Klaver, oudere broer van mijn moeder. Vanuit Hengelo (Ov) antwoordde deze Jan Klaver in februari 1947: "Van vader zelf weet ik uit de aard van de zaak niets (was reeds in 1933 overleden), doch het volgende is van Oom Piet afkomstig, dus die gedurende de oorlog gestorven is, en wel: Bij een boerderij of molen is bij afbraak een plank te voorschijn gekomen, waarop een resume van de bouwer stond zoals dit vroeger in het handwerk veel gebruikelijk was, en dat luidde: Wij zijn met platte schuiten, geladen met zoveel vaam hout en zoveel stuks hoornvee, gekomen uit de kop van Overijssel om de molenbouw in Noord-Holland te beoefenen. De landing moet geweest zijn bij Rustenburg. Het verhaal zelf kan ik natuurlijk niet meer verifieren, ik meen me te herinneren dat ook de plaats Makkum in Friesland hierin genoemd werd..... Bij het verhaal van de plank herinner ik mij nog, dat dit overigens geschreven moet zijn door een zekere Wiert Klaver. Van wanneer dateert overigens de droogmaking van Noord-Holland?..... Verder schreef hij nog: "In verband met je brief ben ik nog eens even naar Enschede geweest, of ik daar nog verdere informatie kon krijgen, echter tevergeefs. Oom Jan (broer van zijn vader) wist nergens van. Wel herinnerde hij zich nog, dat ze vroeger meerdere houten gereedschappen thuis hadden gehad met een jaartal er op van 1653".
Maken we de inventaris op van de gegevens die tot nu toe naar voren kwamen, komen we tot het volgende resultaat:
1. De plank met de geschiedenis was te vinden in en verdween met het Klaverhuis dat in 1894 door het onweer verbrandde; het getuigenis van Zuster Aloysio is hier heel duidelijk.
2. De naam Wiert kwam in de tekst voor; anders is niet te verklaren dat de naam in die oude vorm, en voor hem alleen, voortleefde in de familie.
3. Men kwam aan met heel wat hout, juist om deel te nemen aan de molenbouw in ons gewest. Het waren dus reeds timmerlieden toen ze aankwamen.
4. Het hout en de overige verhuizing werd aangevoerd op schuiten, transport dus over water, hoogst waarschijnlijk opgeladen op de plaats van vertrek.
5. De nauwkeurige plaats van vertrek is onzeker; wordt genoemd "de kop van Overijssel", maar ook Makkum in Friesland. Is hier mogelijk aan een geheugenverschuiving te denken: van Hattum naar Makkum? Hattem ligt ten zuiden van Kampen, en kan met enige goede wil omschreven worden als "de kop van Overijssel", waarbij tegelijk de mogelijkheid bestaat dat Wiert en zijn volk gewerkt hadden aan en bij de droogmaking van het Kampereiland.
6. Plaats van aankomst: Rustenburg wordt eenmaal genoemd, een plaats die niet onwaarschijnlijk genoemd kan worden. Het octrooi voor de droogmaking van de Wogmeer werd verleend op 8 november 1607. De Wogmeerder grond kwam droog in 1612, nadat reeds in 1597 de Zijpe en in 1610 de Wieringerwaard drooggevallen waren. De Heer-Hugowaard kwam droog in 1631, de Schermer in 1635. In de jaren 1610-1630 was er dus bij Rustenburg water in overvloed.
7. Tijdstip van aankomst: In de timmerwinkel die in 1894 verbrandde was zeer oud gereedschap; Zuster Aloysio herinnerde zich: "van 16.....zoveel"; haar broer Jan in Enschede gaf het jaartal: 1653. Op 27 mei 1653 trouwde bij de pastoor van Spierdijk een Jan Weyertse met zijn bruid Sij(tje) Crelisse; behoorde genoemd gereedschap bij zijn "uitzet"?
De parochieboeken van Spierdijk
Met het huwelijk van Jan Weyertse in 1653 belanden we bij de kerkelijke registers van de parochie Spierdijk. Deze registers voor doopsel en huwelijk beginnen met de jaren 1631 en 1632; dat voor de overledenen/ begrafenissen begint niet eerder dan omstreeks 1840. Er zijn echter leemtes in de registers: de doopsels van 4 november 1658 tot half december 1668 ontbreken; bovendien wordt vanaf augustus 1635 tot juli 1640 alleen maar het getal doopsels geregistreerd, zonder enige vermelding van naam, noch van de dopeling noch van ouders. Gedurende de eerste honderd jaar komen familienamen slechts bij hoge uitzondering voor; de naam Claver of Klaver heb ik in het doopboek niet ontmoet voor na 1750. De typische voornaam Weyert, en dus ook de vadersnaam Weyertse, wordt daarom voor deze jaren de enige gids. Duidelijk blijkt ook dat meerdere van de opeenvolgende pastoors met deze voornaam moeilijk weg weten, met alle variaties in schrijfwijze en zelfs verbasteringen vandien.
Rond 1650 ontmoeten we de naam Weyert voor het eerst. Op 4 juli 1649 trouwt Crelis Weynartse met Mari Jans, waarbij Neel Jans en Trijn Crelis als getuigen optreden. Op 17 december van hetzelfde jaar trouwen Cornelis Jansze en Griet Cornelisse, die in november 1658 hun zoontje Weyert Crelisse laten dopen; wie van de twee ouders met de oude Wiert verwant was, blijft voorlopig een open vraag. Een maand tevoren, 29 oktober 1658, doopt de pastoor, "op Spierdijk", het meisje Jannetje Jans, dochter van Jan Weyers en Anna Jans, welke ouders "in de waert" wonen; de peter is Pieter Weyerse; het ouderpaar trouwde op 2 januari 1658, waarbij Gerrit Weyers getuige was. Bovendien werd, zoals eerder vermeld, in 1653 het trouwen geregistreerd van Jan Weyerse met Sij(tje) Crelisse, waarbij Pieter Weyers getuige is; is de bruidegom dezelfde als die van 1658, dan is zijn eerste vrouw vroeg gestorven.
Gerangschikt naar jaartal geeft dit het volgende resultaat: we ontmoeten in
1649 - Crelis Weynartse als bruidegom;
- het bruidspaar Cornelis Jansze en Griet Cornelisse, die in 1658 hun zoontje de naam Weyert Crelisse geven.
1653 - het bruidspaar Jan Weyertse en Sij(tje) Crelisse;
- Pieter Weyer als getuige bij dit trouwen.
1658 - de bruidegom Jan Weyers (dezelfde als in 1653?);
- Gerrit Weyers als getuige;
- dezelfde Jan Weyers als vader van een dopeling;
- Pieter Weyers als peter.
Hier schijnen we dus de gebroeders Crelis, Jan, Gerrit, en Pieter te ontmoeten, allen zonen van Weyert. Geven we Crelis bij zijn trouwen in 1649 de leeftijd van 21 jaar, zou hij in 1628 geboren zijn. Of de drie broers ouder of jonger waren dan Crelis, weten we niet; maar we maken een van hen ouder, en de twee andere jonger dan Crelis, kunnen ze allen binnen de parochie Spierdijk geboren en gedoopt zijn, zonder in het doopboek van Spierdijk geregistreerd te zijn; de eerste geregistreerde doop is namelijk van 5 juni 1632. Is onze veronderstelling juist, dat het echtpaar Cornelis Jansze en Griet Cornelisse van 1649 met Weyert Klaver verwant was, hij of zij, omdat ze immers hun zoontje in 1658 de naam Weyert geven, dan moet er rond 1628 een Jan of Cornelis geweest zijn, die mogelijke broer was van genoemde Weyert.
Om molens te bouwen
Het molenmaken, dat op "de plank" genoemd werd, heeft nog lang verder geleefd bij de nakomelingen. Toen de Wogmeer werd drooggemaakt, werden er bij de Uitgang, 2 kilometer van Rustenburg, vier molens gebouwd, waarvan er nu maar een meer over is. Deze laatste was kort na de Eerste Wereldoorlog buiten gebruik gesteld; het stoomgemaal kon de zaak alleen wel af. Stroom- en kolenschaarste in de laatste oorlog brachten het polderbestuur ertoe de molen weer maalbaar te laten maken. De man die het werk deed voor 6000 gulden was Janus (Adrianus) Wijte, zelf geboren in de Wogmeer op 21.11. 1879. In de zomers van 1949 en 1961 vertelde hij mij het volgende: "Mijn grootvader, Dirk Klaver (geb. 15.07.1821) woonde in de molen, de molen links van de Wogmeerderweg, waar nu de watermachine staat. De molen werd afgebroken in 1879, en vader zowel sloopte de molen(s) en bouwde de water- machine. Toen mijn moeder (Dirkje Klaver, geb. 10.06.1850) 15 jaar was, zijn ze uit de molen gegaan, en zijn toen in het polderhuis komen wonen. Vader (Piet Wijte) was timmerman; van school af eerst inbinder bij een rietdekker, en later timmerman: eerst timmermansknecht op Benningbroek, bij Piet Buijs, later een paar jaar hier aan de polder, bij de Klavers, en daar leerde hij het molenmaken".
Bij de watersnood van 1675-1676 stond de Wogmeer anderhalf jaar onder water; bovendien verbrandde een der molens. In 1739 hielpen de drie molens van de Wogmeer en Hensbroek de Westerkogge gedurende 20 etmalen, en de twee molens van Obdam gedurende 19 etmalen: zo schrijft H. Kollis in Uit de historie van Berkhout (1968). In 1741 bleken de molens van de Westerkogge opnieuw niet in staat het water spoedig genoeg weg te malen. De "timmerbazen" gaven de raad de twee schepradmolens bij Avenhorn om te bouwen tot vijzelmolens: die zouden tweemaal zoveel water uit kunnen slaan. Na lange overwegingen werden beide molens in 1744 omgebouwd tot vijzelmolens. Kollis schrijft dan: "De kosten zijn niet gering. Aan extra hout heeft men alleen al voor 5811 gulden nodig. Aan arbeidsloon betaalde men aan Volkert Timmerman en zijn knechten 2500 gulden, en aan de baas Corn. Jansz. die men er bij gehaald had omdat ze al eerder vijzelmolens hadden gemaakt, samen 2255 gulden (H. Kollis, Uit de historie van Berkhout (1968), p. 67-68).
Wie waren deze "timmerbazen" en deze "baas" timmerlieden van de Wogmeer, Corn. Wyersz. en van de Spierdijk Corn. Jansz."? De Wogmeerder baas is het eerste kind (geb. 04.10.1686) van Weyert Crelisse, die we al eerder ontmoet hebben, gedoopt op de Spierdijk in november 1658 (H. Kollis, Uit de historie van Berkhout (1968), p. 8); de baas is broer van Mari Weyers (geb. 25.06.1696), de stammoeder van onze Klaver-lijn. De grootvader van de Wogmeerder baas heette, zoals we al eerder zagen, Crelisz Jansz. Nu heeft de Spierdijker baas dezelfde naam, maar we kunnen hem wel moeilijk een leeftijd aanmeten van ongeveer 120 jaar, en moeten dus een of twee generaties later gaan zoeken. Lezend in het doopboek belanden we dan bij Crelis jansz., geboren 28.04.1698, zoon in het derde huwelijk van Jan Weyers (geb. 29.10.1658) en Griet Dircks. Laatstgenoemde Jan Weyers heet altijd Weyers als hij trouwt en als hij zijn kinderen te doop brengt, maar bij zijn eigen geboorte wordt hij geregistreerd als Jan Jansze, aangezien zijn vader Jan Weyerse is; hier en toen schijnt de naam Weyerste dus reeds als kenteken van de molenbouwersfamilie gebruikt te zijn, met andere woorden als een soort familienaam. Iets dergelijks hebben wij geconstateerd bij enkele andere families in het doopboek.
Het molenmaken werd ons dus bevestigd in 1739 als tamelijk karakteristiek voor de familie Klaver, maar evenals dat een van de twee baas timmerlieden werd aangeduid als "van de Wogmeer" en de ander als "van de Spierdijk". We mogen waarschijnlijk aannemen dat de eerste in de Wogmeer woonde en de ander op Spierdijk. Zo vroeg als 1739 ontmoeten we dus een 41-jarige Klaver als timmerman/molenmaker op Spierdijk; grootvader van deze 41-jarige Crelis Jansz. Klaver was Jan Weyerse, wiens huwelijk van 27 mei 1653 geregistreerd staat in de parochieboeken. Toen de timmerij op Spierdijk in 1894 verbrandde, verdween ook houten timmergereedschap met het jaartal 1653 erop in de as. De stukken van de puzzel schijnen in elkaar te passen, en de 300 jaren waar opoe Klaver (Agatha Ursem, geb. 15.06.1844) rond 1912 van sprak, zouden waar zijn: niet alleen voor de Klaver-familie, maar ook ongeveer voor de timmerij-zaak op Spierdijk.
Klaver en Duin
De timmerij, oftewel het Klaverhuis op Spierdijk, ging in 1911 over op Duin, Jan Duin Cz., mijn vader. Twee jaar eerder was hij in de kerk van Spierdijk getrouwd met Maartje Klaver, maar ook zijn moeder was een Klaver (Antje Klaver, geb. 18.10.1844 op Spanbroek). Alsof dit nog niet voldoende was, ook zijn grootvader Jaap Duin (geb. 15.07.1814; in de volksmond: Dikke Jaap Duin) had een Neeltje Klaver (geb. 06.08.1809) als moeder van zijn zonen; weduwnaar geworden trouwt hij in 1862 opnieuw, nu met een Jantje Klaver (geb. 27.03.1824 in de Wogmeer), "de naaister". Voegen we hier nog aan toe, dat een halfbroer van genoemde Jaap, Willem Duyn (geb. 26.03.1832) trouwde met een Grietje Klaver (geb. 19.11.1832) en Leentje Schilder, een dochter van zijn zwager in tweede huwelijk, met Jan Klaver, halfbroer van genoemde Grietje, dan mogen enkele regels over "Klaver en Duin" niet over-bodig lijken. Te meer, daar de kerkelijke huwelijksbepalingen van bloed- en aanverwantschap voor 1908 veel strenger waren dan later.
Beginnen we met de laatste; Antje Klaver, de moede van mijn vader. Zij werd 89 jaar oud, leeft dus in onze herinnering als "opoe Duin". Geboren was zij op Spanbroek in 1844, als dochter van Weyert Klaver en kleindochter van dezelfde Jan Klaver die, volgens oom Weyert Duin (gesprek van 8 juni 1949 in Alkmaar, toen oom Weyert 74 jaar was), geboren (geb. 23.07.1753) was in het polderhuis van de Wogmeer en later gemeentesecretaris werd in Spanbroek. Hier komen we dus weer terecht bij de Klaverfamilie, de Weyerse, de timmerlieden/molenbouwers in de Wogmeer en aan de Spierdijk; het feit dat mijn vader Jan Duin Cz. het timmervak koos, was dus geen appel ver van de boom.
De tweede vrouw van "Dikke Jaap Duin", die hij in 1862 als weduwnaar trouwt, Jantje Klaver "de naaister", was zelf ook weduwe. Haar eerste man, Cornelis Schoenmaker, stierf op 4 oktober 1860 in de Wogmeer; de eerste vrouw van Jaap Duin overleed eveneens in de Wogmeer, op 2 maart 1861. Al op 24 november van hetzelfde jaar worden weduwnaar en weduwe in de echt ver-bonden. De weduwe is dochter van Jan Maartense Klaver en Maartje Gerritse Spil, en bij haar doop staat Maartje Maartense Klaver geregistreerd als haar meter, zeer waarschijnlijk haar tante van vaderskant. Van Jantje Klaver, de naaister, zei oom Weyert in 1949: "die kwam ook uit de buurt van het polderhuis vandaan". Grootvader Maarten is dan zeer waarschijnlijk de jonge Maarten die op 17 juli 1756 geboren wordt, anderhalf jaar voor zijn jongere broer Gerbrandt (geb. 15.10.1757) en een jaar na zijn oudere broer Jan, die we beiden al eerder ontmoet hebben. Jan Klaver als gemeentesecretaris van Spanbroek en Gerbrandt Klaver als eigenaar van de timmerzaak op Spierdijk. Opmerkelijk is het dat we weer bij de molenbouwers belanden. Ook in dit voor beide echtelieden tweede huwelijk waren weer kinderen (Neeltje, geb. 23.08.1863, overleden 20.02.1900, gehuwd met Arie van Diepen en Jan Duin, geb. 24.08.1867, die trouwde met Ma Laan en later in de Beemster -Jisperweg- woonde).
Bij zijn eerste huwelijk had Dikke Jaap Duin het echter verder van huis gezocht, ofschoon hij zoals gezegd ook toen een Klaver als bruid naar huis bracht. Toen een van de Spierdijker geestelijken, pastoor of kapelaan, rond 1860 huisbezoek deed in de Wogmeer en ook het gezin van Jacob Duin op huisnummer 51 bezocht, was de eerste vrouw Neeltje Klaver, geb. 06.08.1809, nog in leven; bij een later bezoek, na augustus 1867, is zij overleden, zij krijgt een kruisje achter haar naam, en huisvrouw nr. 2, Jantje Klaver, wordt met haar twee kinderen aan de lijst toegevoegd. Datum en plaats van geboorte wordt bij iedere naam opgegeven, maar de geboorteplaats van Neeltje Klaver is moeilijk te lezen: iets als Si....?(Zijdewind?). Op haar bidprentje lezen we echter een volle naam: Cornelia W. Klaver, geboren 06.08.1809 op Nieuwe Niedorp, gestorven 02.03.1861 in de Wogmeer. Haar vader was dus schijnbaar een Willem (of Weyert?) Klaver, toen woonachtig onder de parochie van Nieuwe Niedorp. Of dit verband geeft met de spoedig te noemen Hildebrant Klaver van Haringkarspel, is voorlopig niet duidelijk.
Van Haringkarspel naar de Wogmeer
Omstreeks 1825 kwam een jonge Hildebrant Klaver uit Haringkarspel naar de Wogmeer. We laten hier eerst het kleurrijke bericht volgen dat oom Weyert ons deed in 1949, toen we hem vroegen of hij iets naders wist te vertellen over zijn grootmoeder, de genoemde Neeltje Willemse Klaver, de eerste vrouw van Jaap Duin: "Willem Klaver was een mollenvanger in de gemeente Haringkarspel. Dus een betrekkelijk arme man; dus: de kinderen "uit dienen". Zijn oudste(?) zoon Hildebrant kwam als boerenknecht bij Cees Gorter in de Wogmeer, aan de dijk. Dat was een rijke man, met enig kind: Elisabeth Gorter. De vader was tegen hun huwelijk, toen maar bij een andere boer: maar ze vrijden voor de koeraampjes, zei vader Duin. Toch mee getrouwd. Toen, "in goede doen", en haalde al zijn zusters en broers deze kant op. Zijn broer Arie Klaver kwam op Westwoud; Willem werd boer aan de Lage Weg bij Hoorn; Klas werd boer op Spanbroek, trouwde Marijtje Makkelijk; naar hem is mijn broer Klaas vernoemd. Zuster Neeltje was eerst getrouwd met Dirk Boots, weduwnaar met kinderen: in de wandel "koopman "Boos"; een van deze kinderen was "Jan Boos de bouwer" (Met haar vier kinderen verhuisde ons moeder, Maartje Klaver naar "het huis van Jan Boos" aan de overkant van de weg, dat vader, Jan Duin Cz., voorjaar 1918 op openbare veiling gekocht had). Zij trouwde later met Jaap Sijmense Duin. Bij Boots had ze kinderen. Bij het huwelijk kwam Jaap Duin te wonen in "Cafe de Haan" (bakker en kastelein!). De boerderij (het geboortehuis van oom Weyert Duin, in de Wogmeer) was oorspronkelijk van een Cees Groot (zijn moeder was Aagje Jacobse Groot), een oom van Jaap Duin. Sijmen Duin, zijn vader, was burgemeester van Obdam en Hensbroek, en woonde bij de Kwakel 4 (Wegpad van Wogmeerder Middenweg naar Hensbroek), daar waar Willem Duyn (later) woonde". Een lang verhaal, dat we hier echter hebben willen plaatsen zowel wegens de kleurrijke achtergrond als ook om de vele details rond mensen, waarvan vandaag niemand meer iets weet.
Uit dit verhaal blijkt dus, dat Neeltje Klaver, eerste huisvrouw van Dikke Jaap Duin, al eerder weduwe was van Dirk Boots; verder dat zij zuster was van Hildebrant Klaver, waar het verhaal mee begon, beiden kinderen van Willem Klaver, mollenvanger in Haringkarspel. De vroegere boerenknecht werd schoonzoon, en later erfgenaam van de welgestelde boer Cees Gorter. De jonge vrouw van de fortuinige Hildebrant stierf echter vroeg, weinig meer dan 30 jaar oud (geb. 10.02.1811). In november 1847 wordt reeds de eerste zoon in zijn tweede huwelijk geboren, een huwelijk van weduwnaar Hildebrant met de weduwe Aagje Zuurbier, geboren Punt (geb. 22.12.1815). Beiden hadden kinderen uit hun eerste huwelijk, en uit beider tweede huwelijk werden minst zes kinderen geboren. Grietje Klaver (geb. 13.11.1832), dochter van Hildebrant en Elisabeth Gorter, trouwde met Willem Duyn van de Wogmeer (geb. 26.03.1832), halfbroer van de boven besproken Dikke Jaap Duin. Dat twee zoons van deze Willem Duyn ieder met een Zuurbier trouwden, Gerrit met Cornelia en de oudere Willem met Tonia, zal toch wel enig verband houden met schoonmoeder Aagje, vroeger weduwe Zuurbier. Neeltje Klaver (geb. 23.11.1852), een dochter uit Hildebrants tweede huwelijk, trouwde met Dirk van Kampen; een van hun kleindochters, Nel van Kampen (geb. 07.07.1918), dochter van Piet van Kampen van Noord-Spierdijk, koos in 1946 toch weer een timmerman Duin-Klaver tot echtgenoot, Cornelis H.F. Duin, tweede zoon van Ma Duin geboren Klaver, die als jonge weduwe in 1919 haar geboortehuis, de timmerij/het Klaverhuis op Spierdijk, moest verkopen en verlaten.
Draden ontmoeten elkaar.
De geslachten voor ons: ze hebben niet tevergeefs geleefd.