De familie Weijers

De familie Weijers komt van het gehucht Vinkwijk (Zeddam) in de Achterhoek (Oost‑Gelderland). De familie woont op het eind 17e, begin 18e eeuw in, of nabij, de stad Emmerik (Kleefsland) in de huidige BR Duitsland. Drie kinderen van Stephanus Weijers en Margaretha Wiedenfelt (Aleida, Nicolaas en Adrianus) verlaten het ouderlijk huis te Emmerik om naar Hillegom in Zuid-Kennemerland te verhuizen.

In rond 1740 voegt zich hierbij ook Wesselius Weijers (zoon van Stephanus Weijers, een van de in Emmerik achtergebleven broers/zusters van het verhuisde drietal). De reden dat dit kind (en zijn ooms/tante) de hun vertrouwde omgeving hebben verlaten is niet duidelijk, vader Stephanus Weijers schrijft in een brief aan zijn zoon Wesselius het volgende;

                                 de 29e (onbekende maand) 1743  
Deze brief te bestellen tot Hillegom aan Klaas Weijers op Weerestein en verder te overhandigen aan Wesselius Weijers

          Lous Deo Semper (Altijd Gods Lof)

Zeer beminde zoon. Ik heb Uw brief ontvangen en daaruit verstaan dat gij nog fris en gezond bent hetwelk mij zeer lief is. Wij zijn ook gelukkig allebij nog fris en gezond. En ik heb uit Uw brief verstaan dat gij lieve zoon Wesselius trouwen wilt en dat het gerecht van Lisse U niet niet verder wil laten gaan buiten consent van Uw vader en moeder. En gij schrijft mij dat ik eens over zal moeten komen hetwelk zich nu niet toelaat. Maar zie mijn lieve zoon dat gij daarmee door de wereld kunt komen, mij ..... zoon ..... en gij lieve schrijft mij om de borgtocht. Ik heb mijn best gedaan bij de buren en ook bij de pastoor te ondervragen, meer geenszins mag het wezen want het is Koning's verbod. En de pastoor heeft mij gezegd dat de geestelijkheid zich daar buiten moet houden. Hiermede bent gij gegroet en Uw toekomende bruid. En ook mijn dienst gepresenteerd aan mijnheer Pieter Six, bewindvoerder en Schepen der Stad Amsterdam.

            Emmerik den 29 .. 1743

 

Het gedeelte van de vaderlijke brief waarin deze mededeling doet omtrent het niet kunnen bezoeken van zijn zoon of een bijdrage te kunnen doen aan diens verzoek om geld voor de wettelijke verplichtingen van het huwelijk is in twee gedeelten te verklaren; ............gij schrijft mij dat ik eens over zal moeten komen hetwelk zich nu niet toelaat. Maar zie mijn lieve zoon dat gij daarmee door de wereld kunt komen, mij ..... zoon .... en gij lieve schrijft mij om de borgtocht. Ik heb mijn best gedaan bij de buren en ook bij de pastoor te ondervragen, meer geenszins mag het wezen want het is Koning's verbod. En de pastoor heeft mij gezegd dat de geestelijkheid zich daar buiten moet houden........ De vraag omtrent de borgtocht is te verklaren aan de hand van de akte van onvermogen van 27.04.1743 waarin het toekomstige bruidspaar te kennen geeft de kosten van de akten etc niet te kunnen voldoen;

                  AKTE VAN ONVERMOGEN

Ik ondergetekende Maartje Maartens van der Velde, Jongedochter van Hillegom, wonende te Lisse, mij zullen gaan begeven in de huwelijkse staat met Wesselius Weijers, Jongman van Emmerik  in Kleefsland, onlangs gewoond hebbende te Hillegom en tegenwoordig wonende te Lisse. En te opzichte van het middel op het trouwen geemaneerd verklaren wij onvermogend te zijn om 's Lands recht van trouwen te betalen

                                   Aktum Lisse 27 April 1743

Volgens verklaring gedaan aan J.van Dorp, secretaris der Burgelijke Stand te Hillegom kan de toekomstig bruidegom wel doch de toekomstig bruid niet schrijven.

Het gedeelte omtrent "Koning's verbod" moet vermoedelijk verklaart worden aan de hand van de geschiedenis in het toenmalige Duitsland, het ontlopen van de militaire dienst door Wesselius.

Het ontrekken aan de werving werd gestraft met het verlies van bepaalde rechten. Het betrof een werving in opdracht van de koning en betekende voor de jongens dat zij voor een tijdsperiode van twee jaar in militaire dienst zouden moeten en zich daarna ieder voorjaar aan een herhalingsoefening moesten onderwerpen Het recht van paspoort was al moeilijk, doch na een weigering verloor de man en de familie in kwestie het recht op een paspoort of reisdocument. Ook het recht op ondersteuning van het armbestuur verviel voor deze man en zijn familie. Vandaar waarschijnlijk de tocht van de vader langs de buren en zijn bezoek aan de pastoor ter ondersteuning. Het is niet onwaarschijnlijk dat het de dienstplicht en/of de ronselpraktijken van die regimenten zijn geweest die 'onze' Weijers‑tak heeft doen ontstaan.

Het is wel opmerkelijk dat alle takken van de familie Weijers, gerekend vanaf Wesselius Weijers (de eerste gemeenschappelijke stamvader), door de eeuwen heen blijven wonen en werken in, zoals wij het nu noemen, "de Bollenstreek". Gezien het feit dat Haarlem tot centrum van de bollencultuur wordt gerekend, (denk maar aan de naam "Bloemenstad"), is het niet vreemd te noemen dat er ook nazaten naar deze stad zijn getrokken. Bij enkele van de bekend zijnde Weijers‑lijnen zijn er zonen geweest welke in een voor de familie Weijers vreemde richting trokken, maar ook dan bleven zij in de kuststrook (Bergen, Schoorl, Loosduinen). Het zijn dan ook de beroepen die worden uitgeoefend welke bepalend zijn voor de vestigingsplaats. Het is opmerkelijk dat generatie(s), volgend op de generatie welke verhuisde, weer naar de oorspronkelijke woon‑/werkgebieden zijn terugekeerd. Na de 1945- 1950 verhuizen velen uit hun oorspronkelijk stad of dorp, velen blijven wel in de Bollenstreek, in of rond Haarlem en de Haarlemmermeer. Een enkeling verhuist verder weg.

In 1946 werd de geboortegolf geboren. De baby's van dat jaar vormen de voorhoede van wat later de babyboomgeneratie werd genoemd. Zestig jaar later heten ze de grijze golf. Ze zullen de samenleving nog tot overlast zijn en op torenhoge kosten jagen, wordt voorspeld. Met daar stond natuurlijk niemand bij stil in 1946, een extreem vruchtbaar jaar.
De geboorte-explosie van 1946 kwam niet als een donderslag bij heldere hemel. Na afloop van de Eerste Wereldoorlog had zich eenzelfde verschijnsel had voorgedaan. Ook al was Nederland in de Eerste Wereldoorlog neutraal en waren er geen krijgshandelingen op zijn grondgebied uitgevoerd, het aantal geboorten werd toch behoorlijk beïnvloed door het geweld bij de voordeur. Uit een onderzoek van Joop de Beer blijkt dat die invloed procentueel nauwelijks afwijkt van die van de Tweede Wereldoorlog. "In beide gevallen daalden de geboorten aan het begin van de oorlog met zo'n 10&t en stegen ze aan het eind.met zo'n 50%." Het resultaat: de babyboom van1920 met 190.000 borelingen en de nooit weer geëvenaarde 284.000 in topjaar 1946. "Verschil is wel dat na de Tweede Wereldoorlog de geboorten zich nog een groot aantal jaren op een beduidend hoger niveau dan voor de oorlog handhaafden, terwijl ha de Eerste Wereldoorlog het niveau niet veel hoger was dan ervoor", noteerde De Beer, werkzaam is bij het .Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut in Den Haag. Gebeurtenissen tijdens de oorlogsjaren hadden, blijkens het onderzoek, invloed op de geboorten. Zo valt op dat in de loop van 1919 het aantal geboorten sterk terugliep naar een niveau van ver voor het uitbreken van de oorlog. De Beer vermoedt dat dit werd veroorzaakt door de Spaanse griep, die rond het eind van de oorlog (november 1918) ook Nederland teisterde.

Uitgestelde kinderen.
In de Tweede Wereldoorlog fluctueerden de geboortecijfers nog sterker. Het begin van de oorlog in september 1939 en de inval van de Duitsers in ons land leidden negen maanden later tot een daling van tien procent, de verscherpte maatregelen in 1941 tegen de Joodse bevolking en de februaristaking hadden een kleinere geboortedaling tot gevolg, de invasie in Frankrijk mondde negen maanden later uit in een geboortestijging, de hongerwinter van 1944/1945 tot een scherpe daling en de bevrijding tot een geboorte-explosie in 1946. Volgens de Groninger historicus drs. G. R. Terwisscha van Scheltinga moet de geboortegolf van 1946 als een inhaalslag worden gezien. "Ouders kregen vooral uitgestelde kinderen.

De mensen vonden het niet verantwoord om in tijden van onzekerheid een kind op de wereld te zetten. Bovendien vonden er weinig huwelijken plaats en waren honderdduizenden mannen verplicht tewerkgesteld in Duitsland." Na de oorlog was er weer hoop op een betere toekomst. Alles zou alleen maar beter worden. Je zag dat ook al in Duitsland nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen. De werkloosheid ging naar beneden en er spoelde een golf van optimisme door het land na jarenlange ellende. Tot 1939 stegen toen het aantal huwelijken en geboorten in dat land.

Hoewel de Tweede Wereldoorlog aan het geboortefront op de rem werd getrapt vertoonde het aantal geboorten, behoudens de jaren 1941 en 1945, een stijgende lijn. In 1943 werd de magische grens van 200.000 geboorten overschreden. Ter vergelijking: Nederland telde in 1943 negen miljoen inwoners en vorig jaar, toen hier 16,3 miljoen mensen woonden, werden 188.000 kinderen geboren, een fractie meer dan in 1940.

Oudere vrouwen
De meeste bevallingen tijdens de oorlog kwamen voor rekening van vrouwen in de leeftijdscategorie 25 tot 30 jaar, gevolgd door de leeftijdsgroep 30 jaar en ouder. Het waren dus vooral oudere vrouwen die een kind op de wereld zetten. De leeftijdscategorie 20 jaar en jonger scoorde het laagst. Opvallend aan deze tieners was wel dat zij de enige groep vormden die na de piek van 1946 het jaar erop er nog een relatief forse schep bovenop deden. Veel ouders kregen tijdens de oorlogsjaren hun eerste kind. De meesten in 1941, gevolgd door 1940 en 1943. In die jaren werden zelfs meer eerste kindjes geboren dan tijdens de geboorte-explosie van 1946. Sterker nog, tot 1950 werd dat aantal niet meer gehaald.

Buitenechtelijk
De eerstelingen vormden overigens niet de grootste groep borelingen tijdens de oorlog. Die eer komt toe aan de categorie vierde kind of meer. De ooievaar was dus het vaakst op bezoek bij reeds kinderrijke gezinnen. Het topjaar was 1945. Hierbij zij aangetekend dat het zuiden reeds in september 1944 in de bevrijdingssferen vertoefde en kinderrijke gezinnen hier hooglijk werden gewaardeerd door de katholieke kerk. Opvallend, maar niet opmerkelijk waren de buitenechtelijke geboortes. Gedurende de hele oorlog zat er een stijgende lijn in, met als topjaar 1945 toen zo'n 7300 kinderen buitenechtelijk op de wereld werden gezet. In 1946 bedroeg het aantal buitenechtelijken 7000 kinderen. Deze cijfers vallen in het niet bij die van vorig jaar. Toen bleef de teller staan op 65.828 niet echtelijke kinderen. Het is minder dramatisch dan het lijkt. In dat cijfer zijn namelijk, ook opgenomen kinderen die niet in een huwelijkse, maar wel binnen een andere relatievorm zijn geboren.


D
e familie Weijers blijkt niet onontwikkeld. In de periode dat de meeste burgers de schrijfkunst niet meester waren schrijft 75% van de mannen, en ongeveer 20% van de vrouwen in deze familie. Vanaf omstreeks 1870 kunnen alle leden van de familie Weijers schrijven. Het schrijven in vroeger dagen was meestal weggelegd voor de jongens uit het gezin. Deze moesten later de kost kunnen verdienen, en ook vader en moeder financieel ondersteunen op hun oude dag (er waren nog geen pensioenen of andere sociale voorzieningen).

De beroepen van de familie Weijers geven ook dan ook aan

1.         waarom het verblijf in de kuststrook van blijvende aard is (de beroepen gaan vaak van vader op zoon over)

2.         dat de beroepen niet zonder kennis van de taal (lezen en schrijven) uitvoerbaar zijn

De beroepen zijn dan ook onder te verdelen in twee groepen:

1.         zij die niet behoeven te kunnen schrijven;

            aardwerker, boer(in), bouwman, bloemistarbeider/‑knecht, boerenarbeider(ster), landbouwer, landbouwersknecht, duinmaaier, tuinman, tuindersknecht, (veld)jager, venter, (fabrieks-)arbeider(ster), groenteboer, venter, meid, wasvrouw, werkster, schoonmaker(maakster), dagloner, werkman(vrouw), vuurwerker, tabakskerver/tabakswerker, voorstaander, schildersknecht etc.

2.         zij die moeten kunnen schrijven;

            hereboer, tuinder, rentmeester, naaister, boekhouder, veldwachter/agent van politie, gemeente/rijks-ambtenaar, kastelein, koopman, bankwerker, electricien, machinist, instrumentmaker, meter‑ijker, magazijnbediende/knecht, timmerman, schilder, dienstbode, schilder, winkelier(ster), winkelbediende etc.

Uiteraard geldt voor de beroepen dat deze voor 95% door de mannen werden uitgevoerd. Dit met uitzondering van de typisch vrouwelijke beroepen. Hierbij dient te worden vermeld dat de vrouw op jonge leeftijd in bijna alle gevallen thuis in de huishouding en/of op de boerderij/tuinderij moest helpen. Dit helpen hield ook in helpen in de drukke perioden op het bedrijf waar de vader werkzaam was. Nadien werd voor de oudere meisjes een baan of een 'dienstje' gezocht. Na hun huwelijk waren de vrouwen onzichtbaar wat betreft uitoefening van een ambacht. Zij waren bijna voortdurend zwanger. Ironies genoeg overleefde slechts zo'n 40% van het nageslacht de eerste (kwetsbare) levensjaren.