In de loop der
eeuwen is Nederland steeds een wijkplaats geweest voor al diegenen, die in
andere landen ten gevolge van oorlog, geloofsvervolging of hongersnood van huis
en haard waren verdreven. De Hollandse vrijheid, tolerantie en welvaart was
tot ver over de grenzen bekend.
De eerste stromen
vluchtelingen kwamen de Hollandse gewesten binnen tijdens de Opstand tegen
Spanje in de tweede helft van de 16e eeuw (Tachtigjarige Oorlog
1568‑1648). Zij waren veelal afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden.
Vooral na de val van Antwerpen in 1585 weken vele Calvinisten en Lutheranen,
bevreesd voor de Spaanse troepen van Alva, Hertog van Parma, uit naar de
Noordelijke gewesten. Zij vestigden zich in de steden (vooral in Amsterdam) om
daar hun bedrijf uit te oefenen. Voor de economische ontwikkeling der Republiek
der Verenigde Nederlanden is die immigratie van grote betekenis geweest.
Honderd jaar later
trokken weer grote scharen vluchtelingen onze zuidgrenzen. Zij waren afkomstig
uit Frankrijk, waar in 1685 Koning Lodewijk XIV het (door zijn grootvader
uitgevaardigde) Edict van Nantes herriep. Dank zij dit edict was er jarenlange
godsdienstvrijheid in Frankrijk geweest. Nu door de herroeping van het edict
hieraan een einde kwam, waren Protestanten, voor zover zij niet tot de Rooms
Katholieke Kerk overgingen, genoodzaakt het land te verlaten en elders een nieuw
bestaan op te bouwen. Deze protestanten, die wij onder de naam Hugenoten of Refugiés
kennen, vestigden zich in verschillende landen van Europa; zoals
Engeland, de Duitse Staten en de Republiek der Verenigde Nederlanden. De
uittocht van de Hugenoten heeft de economie in Frankrijk een behoorlijke klap
toegebracht, want het land verloor vele bekwame en ondernemende inwoners.
Naast protestantse
kwamen er ook Joodse vluchtelingen. Aan het begin van de zeventiende eeuw
arriveerden enige duizenden (onder dwang tot het katholicisme bekeerd maar
desondanks vervolgd) joden in Nederland. De meesten van hen keerden weer terug
tot het geloof van hun voorvaderen. Deze Portugese of Sefardische Joden
vestigden zich vooral in Amsterdam. De vervolging van joden in Midden- en
Oost-Europa bracht tussen circa 1635 en 1800 ongeveer 20.000
"Hoogduitse" of Asjkenazische Joden naar Nederland. Deze vluchtelingen
werden minder welwillend ontvangen dan de Hugenoten of de Portugese Joden omdat
zij in de regel niet bemiddeld waren. Zij werden weliswaar niet vervolgd, maar
soms wel in hun vrijheden en rechten beperkt.
De Franse
Revolutie, welke startte met de bestorming van de Bastille op 14 juli 1789,
bracht ook weer grote groepen vluchtelingen op de been. Deze vluchtelingen waren
meest personen uit de adellijke kringen, welke in veel gevallen (voor hun eigen
veiligheid) ook de persoonlijke bedienden met deze groep mee lieten reizen. Het
Franse idee om hun revolutie wereldwijd te gaan verspreiden bracht nadien nog
vele vluchtenden ertoe nog verder van huis weg te gaan of zelfs om zelfmoord te
begaan.
Door de Fransen
werd sedert 1792 het gebied langs de linker Rijnoever steeds verder bezet en
nadien binnen de Franse Republiek gebracht. Op het hoogtepunt van het Franse
Keizerrijk behoorden tot die gebieden ondermeer Hannover, Westfalen, Nassau,
Baden en de Hanzesteden Hamburg en Lubeck.
De werkeloosheid
welke aan het eind van de 18e eeuw, door geheel Europa, schrikbarend hoog was,
met daaraan gekoppeld de gevolgen van een Franse overheersing, bracht velen op
zoek naar een andere werk‑ en leef‑omgeving, soms vele honderden
kilometers verder.
Tijdens de Eerste
Wereldoorlog (1914-1918), in oktober 1914 vluchtten bijna 1 miljoen Belgen uit
angst voor het oprukkende Duitse leger naar Nederland. De meeste van hen zijn
echter reeds tijdens de oorlog teruggekeerd naar hun land, de rest keerde
spoedig na afloop terug.
Na de tweede
wereldoorlog deden zich enkele migratiegolven voor. Voor een deel hingen deze
samen met het onafhankelijk worden van de overzeese gebiedsdelen.
Nederlands-Oost-Indië (Indonesië) werd in 1949 onafhankelijk, waarna
Nederlands-Nieuw-Guinea
volgde in 1963 (eerst als mandaat gebied Nieuw Guinea van de Verenigde Naties,
later ingelijfd als Irian-Jaja door Indonesië). Uit "De Gordel van Smaragd" kwamen ongeveer 250.000 mensen naar
Nederland. De meerderheid van hen was Nederlander, maar ook een grote groep
Molukkers verliet Indonesië omdat zij in dienst waren geweest van de Nederlandse
overheid. Ruim 100.000 Surinamers verkozen Nederland boven een zelfstandig
Suriname en kwamen vooral in de zeventiger jaren naar ons land. Ook veel
Antillianen vestigden zich in deze periode in Nederland. Na 1960 ontving
Nederland nog ruim 200.000 andere nieuwkomers en wel gastarbeiders uit het
Middellandse Zeegebied; Griekenland, Italië, Joegoslavië, Marokko, Portugal,
Spanje, en Turkije.
In de periode na
1840/1850 "verloor" Nederland per jaar ongeveer 10.000 ingezetenen,
welke zich vestigden in de Nieuwe Wereld. Tussen 1890 en 1900 was dit aantal
opgelopen tot rond 30.000 personen per jaar. Na de tweede wereldoorlog kwam een
"landverhuizing" opgang van Nederlanders naar Canada, Australië, Nieuw
Zeeland, Republiek Zuid-Afrika en de Verenigde Staten van Amerika. Deze emigratie is
bewust door de Nederlandse overheid gestimuleerd. Alleen al in de periode
1945-1965 kende Nederland een vertrek overschot met de reeds genoemde
emigratielanden van rond de 400.000 mensen. In het "topjaar" 1952
vertrokken maar liefst 52.000 Nederlanders naar hun nieuwe vaderland. Een
behoorlijk aantal (spijt-optanten), keerde echter na verloop van tijd in Nederland terug, het
oude vaderland bleef trekken.
De 16e eeuw was
een woelige eeuw, een eeuw waarin velen geschokt werden door het wegvallen van
de geloofszekerheden toen na 1517 de Kerk van Rome, tot dan de enige en
algemene Kerk, een aantal nieuwe geloofsrichtingen naast zich moest dulden. Toch
was rond 1600 niet meer dan tien procent der Noordelijke Nederlanders een
lidmaat van de Calvinistische Kerk, wat echter niet wil zeggen dat de rest van
de bevolking in deze gewesten nog trouw katholiek was.
Tegen het eind van
de negentiende eeuw zette ook het proces van verzuiling door. De Nederlandse
samenleving werd toen georganiseerd op levensbeschouwelijke grondslag.
Katholieken, protestanten, socialisten en liberalen hadden elk hun eigen zuil,
met eigen kranten, scholen, politieke partijen, vakbonden, enzovoort. De
splitsing binnen de protestantse zuil tussen gereformeerden en hervormden die in
1892 plaatsvond, is vermeldenswaard omdat een deel van de afgescheidenen
emigreerde naar de Nieuwe Wereld. Daar hoopten zij hun geloof in alle vrijheid
te kunnen belijden.
De eerste helft
van de 17e eeuw heet in het Noorden van de Republiek der Verenigde Nederlanden 'de
Gouden Eeuw'. Niet alleen op gebied van schilder- en letterkunst, maar
ook op het economische vlak.
Het waren de
jeneverstokerijen (Schiedam), de bierbrouwerijen (Haarlem, Leiden, Gouda,
Amsterdam), de textielnijverheid en tabakskerverijen met het daartoe horende
thuiswerk (Holland en Noord-Brabant) en de zeepziederijen en
suikerraffinaderijen (Holland, Zeeland) die de arbeidsplaatsen en redelijke
welstand van de burgers voor hun rekening namen. Het centrum van de economie en
het financiële hart was en bleef Amsterdam.
In de Zuidelijke
Nederlanden wordt deze periode als de 'Ongelukseeuw'
aangesproken, veroorzaakt door de vele krijgstochten en plunderingen van de
legers van de Aartshertogen van Oostenrijk, de toenmalige heersers over dit
gebied.
Na 1650 wordt
duidelijk dat de grootste bloei voorbij was. De tweede helft van de 17e eeuw was
een tijd van grote verschillen tussen arm en rijk. Op de schepen bij de
haringvangst en in de Leidse- en Haarlemse textielindustrie kwamen stuitende
toestanden voor welke niet onderdeden voor de boeren in den lande.
De boeren hadden
vanaf het einde der 17e eeuw een moeilijke tijd door de algemene malaise in
Europa maar nadien worden ook de handel,visserij en nijverheid in de 18e eeuw
getroffen door een structurele malaise. Dit veroorzaakte in verschillende
steden een stilstand of achteruitgang van de bevolking.
De
arbeidsverhoudingen in de jaren 1800-1850 lagen als volgt;
zelfstandige
boeren
3.8%
werklieden
57.6%
arbeiders
15.3%
thuiswerkers
23.3%
Om de
textielnijverheid toch nog op een hoog peil te kunnen houden was in Kennemerland
was in de laatste jaren van de 18e eeuw actie gevoerd tot het verkrijgen van
goedkope arbeidskrachten voor de wol- en hennepindustrie. Speciaal
arbeiders uit de Hollandse Grafelijke enclaves in Duitsland waren zeer geliefd.
De garentwijnderijen,
de weverijen van katoenen en linnen stoffen, en de befaamde Haarlemse blekerijen
werden een herinnering in de tweede helft van de 18e eeuw. De werkgelegenheid in
de textielnijverheid verminderde aanzienlijk door de industriële revolutie in
Engeland en de lagere productiekosten in het zuiden en oosten van ons land. De
Franse tijd heeft het verval wel versneld maar afgelopen was het zeker niet.
In de 17e/18e eeuw
begon rond Haarlem ook de bollenteelt tot ontwikkeling te komen. Van een echte
bollencultuur kan men echter pas gaan spreken aan het eind van de 19e eeuw. In
1870 was rond de 400 hectare met bloembollen beplant wat in 1900 was gestegen
tot bijna 13.000 hectare.
Om ook de
bloembollen industrie op een hoog peil (en goedkoop) te kunnen houden was in
Kennemerland was in de laatste jaren van de 18e eeuw aktie gevoerd tot het
verkrijgen van goedkope arbeidskrachten voor deze tak van arbeid. Speciaal
arbeiders uit Brabant en Limburg
(boeren en boerenknechten van de zandgronden) waren zeer geliefd.
De bollenstreek
werd vanaf 1850 vergroot en in twee gedeelten opgesplitst,
1.Noord:
Het traject Bloemendaal, Velsen, Beverwijk, Heemskerk, Castricum, Limmen
en Heiloo.
2. Zuid: Het (oudste) traject lag tussen Haarlem en Leiden, met plaatsen als
Hillegom, Lisse, Sassenheim, Voorhout, De Zilk, Noordwijkerhout en Noordwijk.
De doorbraak naar
industrialisatie en de modernisering van de samenleven lieten in Nederland lang op
zich wachten. Omstreeks 1850 bedroeg het gemiddelde inkomen van de Nederlandse
arbeider 1 gulden per dag en dit betekende nog niet eens een gemiddelde
jaarverdienste van 312 gulden, iets wat tot 1870 weinig veranderde. De werkdagen
bedroegen 12 tot 16 uur, maar ook dagen van 20 uur waren een normaal
verschijnsel. In 1850 bleek een vrouw van 44 jaar in de functie van rijtuigenschoonmaakster
bij de Hollansche IJzeren Spoorweg Maatschappij (H.IJ.S.M.)
met een 60‑urige werkweek 6 gulden bij te verdienen.
Kinderen werkten
in Haarlem gelijk op met de volwassen werklieden. Kinderexploitatie kwam in de
19e eeuw ook voor in Nederland, doch niet in zulk een hevige mate als in het
buitenland. De kinderlonen lagen in Haarlem niet zo gek te opzichte van de
landelijke cijfers. In de blekerij van Wilson bijvoorbeeld waren de lonen voor
jongens 50 tot 70 cent en voor de meisjes 25 tot 50 cent per dag.
In omstreeks 1870
gingen gingen bollenarbeiders, na een week hard zwoegen, naar huis met Fl.5,40.
Wie ziek werd of door een ongeval niet in staat was om te werken moest maar
afwachten of zijn werkgever toch met loon over de brug kwam.
In de enquêtes van 1816, 1819 en 1843 werd geen melding gemaakt omtrent sigarenmakers of
tabakskervers in Haarlem. De beroepstelling van 1849 wees echter toch op het
bestaan hiervan. De sigarenmakerij zal wel in zijn geheel in de vorm van
huisarbeid zijn uitgeoefend. Uitzonderlijk was dit niet, want in de
tabaksindustrie gold huisarbeid omstreeks 1850 als normaal (in de vorm van
bijverdiensten).
De oorzaak moet
worden gezocht in het niet gemechaniseerd zijn van het productieproces in deze
industrie. Volgens de beroepstelling van 1849 werkten er 104 arbeiders in de tabaksnijverheid, waarvan 1 vrouw en 26 jongens beneden de 15 jaar, dus een
kinderarbeidaandeel van 24%. Veel vrouwen van sigarenmakers beoefenden het
strippen, aanvochten en bosjes maken als thuiswerk uit. Het was hetzelfde werk
dat de kinderen uitvoerden of welk werd uitbesteed aan de weeshuizen.
Vrouwen die in de
fabriek werkten waren over het algemeen betrekkelijk jong. Het huwelijk zette
vaak (vanwege de arbeidstijden) een streep achter de fabrieksarbeid. De arbeid
van vrouwen in de fabriek werd na 1860 in toenemende mate veroordeeld. Het bleef
echter bittere noodzaak dat de vrouw bijverdiende en dit gebeurde dan in de
hoedanigheid van naaister, wasvrouw of strijkster. Behalve het feit dat hiervoor
weinig vakkennis was vereist, behoefde de vrouw niet de gehele week in touw te
zijn en op deze manier hield zij dus tijd voor het huishouden over.
De kinderarbeid,
die in die tijd om economische redenen werd veroordeeld, deed sommige groepen
arbeiders hetzelfde opperen ten opzichte van vrouwenarbeid. Uit de talrijke
verhoren die de enquêtecommissie van 1890 afnam, bleek duidelijk dat de
man de arbeid van de vrouw afkeurde. Pas omstreeks 1880 raakten de
ontwikkelingen hier te lande in een stroom versnelling. Moderne industrieën kwamen toen van de grond en in de politiek kreeg de parlementaire democratie
vorm en ontstonden politieke partijen.
De meest
voorkomende beroepen onder de vrouwen in de 19e eeuw waren; dienstbode,
naaister, werkster, arbeidster, winkelierster, schoonmaakster en wasvrouw. De
lonen van vrouwen waren bijzonder laag en (behalve materiele moeilijkheden) was
een vrouw vaak ook blootgesteld aan seksuele uitbuiting. Het is bekend dat veel
vrouwen (gehuwd en ongehuwd) vanwege een lage betaling, gebrek aan werk en
isolement (het laatste vooral bij de ongehuwde vrouwen) dikwijls tot prostitutie
overgingen. Dikwijls werd het beroep naaister (al of niet tijdelijk)
gecombineerd met prostitutie.
Een Engelse
naaister verklaarde in 1849 dat zij ervan overtuigd was dat drie van de vier
vrouwen in Londen, welke van het thuiswerk in de textiel leefden, alleen door
prostitutie rond konden komen. Hiermede is niet gezegd dat ook in Nederland
zoveel naaisters tot prostitutie overgingen, er kwam ook een flink aantal op de
bedeling terug te vallen.
Uit rapporten van
het Burgerlijk Armbestuur zijn een paar cijfers bekend over lonen van naaisters
in Haarlem. In 1850 verdiende een naaister 20 tot 25 cent per dag. Een andere
naaister verdiende, behalve de kost, 10 cent per dag. Terwijl het werken alleen
voor de kost ook voorkwam. Voor (on)gehuwde vrouwen was het werken als naaister
een van de belangrijkste manieren om aan de kost te komen. Met uitzondering van
de herenbovenkleding werd vrijwel alle kleding en linnengoed door vrouwen
gemaakt. Zij werkten als huis‑ of verstelnaaister voor particulieren of in
dienst van een atelier.
Een ander beroep
dat opzien baart is dat van dienstbode. Er wordt vaak verband gelegd tussen het
beroep dienstbode en ongehuwd moederschap, in die zin dat veel van de ongehuwde
moeders als dienstbode in betrekking waren toen zij een kind kregen. De
dienstmeisjes hadden het soms zwaar te verduren, veel van de dienstboden waren
blootgesteld aan uitbuiting door de werkgevers. In 1907 signaleerde een enquête
van het N.V.V. dat het dienstbodepersoneel te lang moest werken en onvoldoende
voedsel kreeg. Typische dienstbodekwalen uit die tijd waren; bloedarmoede,
nerveusiteit, tuberculose en geestelijke afstomping.
Dat ook seksuele uitbuiting van de heer en/of zoon/zonen des huizes voorkwam is wel zeker. Veel
van de dienstboden die (ongehuwd) moeder werden hebben nadien een ander beroep.
Dit bewijst dat voor een dienstbode bij zwangerschap automatisch ontslag uit de
betrekking volgde, en weinig kans gaf (na de geboorte van het kind) een nieuwe
betrekking als dienstbode te vinden. Het dienstbodepersoneel was geheel
rechteloos. Het kwam voor dat zij bij ziekte gewoon werden ontslagen. De
dienstbode moest voor een habbekrats dag en nacht staan. Het gemiddelde jaarloon
bedroeg in 1853 60 tot 80 gulden.
Sedert de Franse
Tijd was het aantal inwoners van Amsterdam, Haarlem, Enkhuizen en Hoorn flink
ingekrompen. Steden als Rotterdam, Schiedam, Delft en Gouda beleven gelijk.
Oorzaak van de terugloop in Haarlem is het verval van de twee voornaamste
bronnen van textielnijverheid in de 16e en 17e eeuw.
Enige cijfers over
teruggang en latere groei van de bevolking in Haarlem; (jaar/aantal inwoners)
1622 39.455
1748
26.281 1796
21.200 1798 21.000
1810
19.058 1811
20.080
1815 17.400
1851
26.713
1855
28.796 1890 52.120
Bij de
volkstelling van 1798 bleek de Stad Haarlem 21.000 inwoners te hebben en
Amsterdam bij de volkstelling van 1829 200.000 inwoners, wat 10% van de
landelijke bevolking was.
Tussen 1880 en
1955 was in de "Bollenstreek " sprake van een opvallende
bevolkingsgroei. Van bijna 14.000 in 1880 naar, ruim 70.000 inwoners in 1955.
Daarmee behoorde de Bollenstreek tot het snelst groeiende gebied in Nederland.
"Bollenstreekhuwelijken" waren opmerkelijk vruchtbaar. Het
aantal geboorten was bijna tweemaal zo hoog als in de rest van Nederland. De
jaren 1870 tot en met 1910 kenmerkten zich in het bijzonder door de enorm grote
gezinnen. Na 1910 nam deze in de plaatsen buiten de Bollenstreek af, voor deze
streek gaat dit na de vijftiger jaren pas gelden.
De jaren
1946-1955, na de Tweede Wereldoorlog (1945‑1950), kenmerken zich
(landelijk) ook door een ware bevolkingsexplosie.
De bevolking in
Nederland is tussen 1800 en 1870 toegenomen van 2,1 miljoen tot 4 miljoen
mensen. Na 1870 volgde een snelle bevolkingsgroei. In 1900 telde ons land
ongeveer 6 miljoen inwoners, in 1930 8 miljoen, en in 1993 telt ons
land circa 15 miljoen inwoners.
Van 1609 tot 1621
zorgde het 12-jarige bestand ervoor dat er geen oorlogsgeweld in de Achterhoek
was. In 1621 brak de oorlog met Spanje weer uit maar na 1627, toen de Spaanse
troepen wegtrokken, keerde de rust in de Achterhoek terug. Die rust duurde van
1625 tot 1665. De Vrede van Munster maakte in 1648 officieel een eind aan de
80-jarige oorlog.
Van 1665 tot 1674
was het weer mis. Op 26.09.1665 werd Lochem door de troepen van de Bisschop van
Munster bezet en de stad werd verwoest. Op (zaterdag) 12.12.1665 werd Lochem
door de troepen van Prins Johan Maurits van Nassau bevrijd.
In 1672
verklaarden Engeland, Frankrijk en de Bisschoppen van Keulen en Munster de
Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden de oorlog en op 15.06.
Het is ook de tijd
van de Spaanse Successieoorlog en de jaren die daar opvolgen. Een tijd
die spanningen opriep door geheel Duitsland (toen in kleine koninkrijkjes,
hertogdommen en graafschappen onderverdeeld). Koning Frederik Willem I van
Pruisen had middels overwinningen in de Spaanse Successieoorlog onder
andere Opper-Gelderland (Kleefsland) aan zijn grondgebied kunnen
toevoegen.
In 1733 stond
koning Frederik aan verschillende van zijn Regimenten toe dat deze konden gaan
werven (ronselen) in bepaalde gebieden waaronder ook het gebied
Opper-Gelderland. Het betrof een werving in opdracht van de koning en
betekende voor de jongens dat zij voor een tijdsperiode van twee jaar in
militaire dienst zouden moeten en zich daarna ieder voorjaar aan een
herhalingsoefening
moesten onderwerpen. Algemeen was de dienstplicht nog niet, maar deze hervorming
was wel een stap in die richting. Doordat er vele jongens van die dienst konden
worden vrijgesteld (door hun werkzaamheden of doordat zij zich met een flinke
afkoopsom vrijkochten) werd de "vrije" werving door ronselaars een
onoverkomelijke praktijk om aan het gestelde aantal manschappen te komen. De
ronselaars waren zeer royaal met alcoholische dranken om de aspiranten te
bewegen tot tekenen. Na het tekenen ontvingen deze aspiranten een handgeld.
De Fransen
bezetten Nederland in 1795 dit bracht (zoals iedere oorlog) de nodige onrust en
werkeloosheid met zich mee. In verband met de Engelse Oorlog (1780-1784)
was de Hollandse Handel, de Nationale ruggengraat jarenlang lamgelegd. Het
defensieverdrag tussen Nederland en Frankrijk in 1798 bracht automatisch
oorlog met Engeland. Hierdoor steeg de prijs van levensmiddelen schrikbarend en
het aantal werkelozen kwam op grote hoogte. Het was in die tijd dat men ieder
jaar meer geld nodig had ter ondersteuning van (het groeiende) aantal armen in
de diverse steden.
In 1810 volgde de
totale inlijving van Nederland bij Frankrijk (het Koninkrijk Holland). De consequentie
die dit voor de bevolking had bleek spoedig, totale armoede en
werkloosheid. De oorzaak was dat de door vele oorlogen verarmde bevolking in
Frankrijk de kosten van een leger niet meer konden dragen. De kosten van
onderhoud van de legers kwamen nu geheel aan de bewoners van de bezette landen
waardoor er in bezet gebied een tekort ontstond van het meest noodzakelijke om
in het levensonderhoud te kunnen voorzien.
De Tweede
Wereldoorlog had treurige gevolgen voor de Nederlandse bevolking en in het
bijzonder het Joodse deel daarvan. Bijna 200.000 Nederlanders verloren in deze
oorlog het leven, waarvan ongeveer de helft Joodse landgenoten. De strijd en het
Japanse geweld maakte rond de 25.000 Nederlandse slachtoffers.
In 1798 had de
Stad Haarlem 21.000 inwoners waarvan er 4000 armlastig waren, in 1810 had de
stad 19.058 inwoners waarvan er 936 in de plaatselijke fabrieken werkten,een
aantal dat in 1813 was teruggelopen tot 480 man. Zoals reeds vermeldt had de
Stad Haarlem in 1798 4000 armlastige burgers op een totaal van 21.000 inwoners,
1/5 deel (19%) van de bevolking leefde dus van overheidssteun. Het aantal
personen blijft nadien gelijk, echter op een teruglopend inwonersaantal der
stad.
In de periode
1810-1812 konden 4000 mensen niet bestaan zonder de steun van de diverse
liefdadige instellingen en werden de gaarkeukens van de stad bezocht door 7000
mensen. In de Gemeentelijke Gasthuizen werden daarnaast 3000 mensen verpleegd
zodat mag worden aangenomen dat op de totale bevolking van de stad zo'n 5000
mensen (1/4 deel) het zonder speciale hulp kon bolwerken.
Na 1813 het
vertrek der Fransen werd dit weer beter (op 24.11.1813 verlieten de laatste
Fransen de stad Haarlem) en gaan de cijfers van hulpbehoevenden weer omlaag (men
kon de verplichtte toewijzingen aan het Franse leger weer tot eigen gebruik
aanwenden). De tijden gaan wat beter tot de jaren 1829-1830. In die jaren
is er weer een grote werkeloosheid onder de bevolking. Hierdoor blijken
duizenden zich niet van de eerste (noodzakelijke) levensbehoeften te kunnen
voorzien. 1/3 van de Haarlemse bevolking leeft dan onder het minimum.
Omstreeks 1850
waren voor de arbeidende klasse de broodproducten te duur om dagelijks te
consumeren. In 1854 kostte een kilogram fijngebuild tarwebrood in Haarlem 41
cent (ongebuild 15 cent). Voor een malse runderlap van een kilo betaalde de
consument 70 cent, voor kalfs- of varkensvlees betaalde men
respectievelijk 85 en 90 cent per kilo. Deze prijzen lagen buiten de draagbaarheid
van het arbeidersbudget. De aardappel bleef over. In 1855 verschilde in Haarlem
de marktprijs van aardappels 2 tot 4,50 gulden per mud, al gelang de kwaliteit.
Dat niet brood maar de aardappel volksvoedsel Nr."1" was bleek uit het
verbruik per hoofd van de bevolking in geheel Nederland voor de jaren
1852-1856 (per hectoliter - MUD); tarwe
0.43%, rogge 1.10%, aardappels
2.58%.
In de 17e eeuw
werd het wonen buiten de stadskern gezien als sociaal minderwaardig, de
welstandsgraad van de inwoners nam af naarmate zij verder van het centrum af
gevestigd waren. Het verval van de nijverheid ging niet alleen gepaard met een
stijging van de werkeloosheid maar veroorzaakte ook een vertrek van vele
stedelingen naar het platteland.
In de Franse tijd
daalden de huizen voortdurend in waarde. Vele huizen werden in die periode
afgebroken.In de 1e helft van de 19e eeuw was de bouwactiviteit van onbeduidende
omvang in Haarlem, tot 1880 heerste een hevige sloopkoorts.
Het in 1882 door
de Vereniging tot Bevordering der Volksgezondheid ingestelde onderzoek naar de
huisvesting van de arbeiders onthulde erbarmelijke toestanden. De huizen in de
stad in de stegen staande hadden wel vensters, doch wat baat een groot venster
als de breedte van de steeg in decimeters is op te meten. De hygiëne was vaak
beneden peil ,vele huisjes hadden geen drinkwater,de riolering (indien
aanwezig) liet te wensen over, er was gebrek aan licht en lucht en de
behuizingen waren veelal overbevolkt. In vele woningen diende de huiskamer
tevens als slaapkamer.
In de Haarlemse
Gasthuisstraat werd een perceel aangetroffen dat uit zes kamertjes bestond
waarin 24 personen huisden. In een vertrek sliepen zes en in een ander vertrek
zeven personen. Om deze wantoestand te keren werd rond 1870 in Nederland door
groepen arbeiders overgegaan tot oprichting van de Coöperatieve Woningverenigingen. De eersten ontstonden in 1867 te Goes, in 1868 te Amsterdam
en in 1870 volgde Haarlem (de Werkmansvriend).
De woningen van de
verenigingen bestonden meestal uit een woonkamer van 3.5x4 meter waarin bed en
kasten waren geplaatst, een voorvertrek van 2.5X3 meter waarlangs de gang loopt
die naar het grote vertrek leidt en achter de woonkamer een keukentje met
stookplaats, kraan en toilet. De huizen hadden ook een zolder, een kleine kelder
en een tuintje. In het begin van de 20e eeuw werd aan dit type huis nog een
bovenverdieping toegevoegd waar zich twee slaapkamers bevonden.
De levensvatbaarheid
van een kind was in de 17e eeuw (tot aan het eind van de 19e
eeuw) erg laag. Diverse epidemische ziekten maakten veel slachtoffers in deze
tijdsperiode. Een grote Cholera-epidemie teisterde Nederland in 1832 wat
(in samenhang met de heersende armoede) grote sterfte onder pasgeborenen en
zieke/verzwakte volwassenen tot gevolg heeft gehad. Deze tendens zet zich in de
loop van de volgende decennia voort met uitschieters in de jaren 1841 t/m '42,
1847 en 1849. In die jaren was door "Waterzucht" een hoog
sterftecijfer waarbij de stijging van het aantal doden speciaal merkbaar was bij
zuigelingen en kleuters.
In de jaren 1845
en 1847 was er ook een grote voedselschaarste in de gelederen van minderheden
der bevolking, wat zich ook weer liet uitdrukken in een hoog sterftecijfer, en
ook nu weer waren de zuigelingen/kleuters het meest vatbaar. In 1852 was de
Haarlemmermeer drooggemalen waardoor de stadsgrachten in Haarlem en de
waterwegen in Zuid‑Kennemerland onvoldoende afwatering kregen. De
stankoverlast en ziekteverschijnselen namen angstvallig toe.
In 1855 vielen er
in Haarlem 31 doden door cholera, een ziekte die in 1856 zelfs 200 levens opeiste
(waarvan men de slechte waterkwaliteit in de grachten als de grote
boosdoener zag en het stadsbestuur overging tot geleidelijk aan dempen van de
meeste stadsgrachten). De stad was buitengewoon smerig en overal hing stank, er
was geen riolering. De feces werden via open, of primitief gezonken, goten
geloosd op het oppervlakte water (het Spaarne en de grachten). Dit zo genoemde
'Systeem Libre' was gul met zijn vuiligheid en en gaf de bacteriën rijkelijk de
kans welig te tieren. Daarbij kwam nog dat de bevolking zelf geen greintje besef
had van hygiëne. Deze wierpen, behalve op straat, ook veel afval in de grachten
en het Spaarne.
In de jaren
1850‑1860 stierven vele zuigelingen aan voedingsstoornissen die
veroorzaakt werden door een ondoelmatige voeding. Borstvoeding kreeg de
zuigeling weinig. Door de gegoede burgerij werd meestal een min aangeschaft,
maar voor de fabrieksarbeiders was dit financieel niet te realiseren. Bovendien
vertoefde de vrouw van de fabrieksarbeider zelf de gehele dag buitenshuis. De
pasgeborene uit dit milieu kreeg allerlei soorten pap waarvan de belangrijkste
hoeveelheid bestond uit koemelk. De koemelk kwam echter nooit zuiver over; de
emmer waarin de melk werd getapt was vaak gewassen met onzuiver water, de
melkmeid had gewoonlijk vuile handen en de uiers van de koeien waren
infectiehaarden. Geconcentreerde koemelk was voor de zuigelingen bovendien
fataal. Zij moest worden verdund en dit ging ten koste van de kwaliteit.
Verdunning vond plaats met water uit een sloot, gracht of regenton, waarin nogal
eens kadavers en wormen ronddreven. De kinderen werden dan ook spoedig aangetast
door maag- en darmstoornissen of kregen stuipen, klierziekten of rachitis (Engelse ziekte).
In 1855 heersten
mazelen en influenza epidemisch. De sterfte onder kinderen had een decimerend
karakter. Van de 933 doden waren 425 kinderen beneden de 10 jaar. De
sterfgevallen onder de bejaarden was eveneens groot door ziekten aan de
ademhalingsorganen. De winter was bovendien zeer streng en, ondanks een
economische opgang in de jaren 1850‑1857 zorgde de Krim-oorlog voor een
regressie. De prijzen van de primaire levensbehoeften stegen.
De sterftepiek van
1859 was wederom te wijten aan de grote sterfte onder de kinderen veroorzaakt
door mazelen, diarree en kinderpokken. De zuigelingensterfte bedroeg 25.4% van
het aantal overledenen 1051 personen, waarvan 514 kinderen beneden de 10 jaar.
Het was de Cholera Asiatica, die op vele plaatsen epidemisch heerste, welke
grote problemen gaf.
De hoge sterfte in
1871 was in Haarlem niet zozeer te wijten aan de pokkenepidemie, die verder
het gehele land teisterde. In Haarlem werden 62 mensen door deze ziekte
aangetast, 13 mensen bezweken eraan. Aan de sterfte piek van 1871 lagen veeleer
dezelfde doodsoorzaken als in 1868. Het sterftebeeld werd bovendien ongunstig beïnvloed
door de duurte van de levensmiddelen ten gevolge van de
Duits-Franse-Oorlog. In 1880 en 1884
was de zuigelingensterfte weer zeer groot, lichaamszwakte, roodvonk, mazelen,
difterie en tuberculose waren in deze jaren de oorzaak van de hoge
sterftecijfers. Het sterftecijfer onder de Haarlemse borelingen be-droeg in die
jaren zelfs 38.4%.
Omtrent de
gezondheidszorg zijn in een drietal "Jaarverslagen van Burgemeester en Wethouders der
Gemeente Haarlem" wat gegevens bewaard gebleven:
·
Jaarverslag
1851
Met
dankbaarheid mogen wij erkennen dat de algemene gezondheidstoestand der
ingezetenen dezer gemeente in de afgelopen jaarkring gunstig is geweest. Wij
zijn bevrijd geweest van heersende en besmettelijke ziekten. Aan het vaccineren
van kinderen wordt voortdurend de hand gehouden.
De
gasthuizen onder dezelfde regenten zijn in goede toestand. In het St.
Elisabethgasthuis liggen 215 patiënten te weten 83 mannen en 132 vrouwen. Er
overleden er 26.
In
het Buitengasthuis 24 mannen en 35 vrouwen onder wie 15 krankzinnigen
tijdelijk overgeplaatst van het krankzinnigengesticht Meerenberg.
Aantal
inwoners:
26.713
Sterfte:
663 (2.5%)
·
Jaarverslag
1855
De
gezondheidstoestand staat ver achter bij die van vorig jaar, zowel wegens
influenza en cholera als een grotere sterfte onder bejaarden en kinderen.
Sterfte:
80 van zestig jaar en ouder, 90 beneden het tiende jaar, 241 tot drie maanden.
In
oktober 46 personen met cholera Asiatica van wie er 28 overleden.
Verreweg
het grootste gedeelte der in Haarlem aangetaste personen behoorde tot de zeer
armoedige klasse en bewoonde de oostzijde der stad aan de overkant van het
Spaarne in dezelfde buurt in welke in vroeger jaren de ziekte het meest was
waargenomen. Na oktober vertoonde de ziekte zich niet meer. De mazelen die onder
de minder gegoede klasse waren begonnen, breidden zich tot de meer welgestelden
uit.
Aantal
inwoners:
28.796
Sterfte:
865 (4.0%)
·
Jaarverslag
1890
Op
aanvraag der medici werden vier woningen waar besmettelijke ziekten heersten
ontsmet, ook het lijf‑ en linnengoed. De kosten beliepen fl.29,23. Behalve
de stremming die de influenza schier overal in de dagelijkse gang van zaken
teweegbracht, is het aantal slachtoffers gelukkig niet groot
Aantal
inwoners:
52.120
Sterfte:
947 (1.8%)
In de 19e eeuw had
men grote moeilijkheden om bij een juiste diagnose te stellen bij bijvoorbeeld
blindedarmontsteking. Men zag te vaak alleen de vervelende gevolgen ervan,
buikvliesontsteking. De kans om aan buikvlies te overlijden lag in die jaren
rond de 30% (in 1888 zijn er drie sterfgevallen van buikvliesontsteking bekend
binnen een en dezelfde familie). In 1900 had men het sterftecijfer teruggebracht
tot 17 per 1000 (1.7%).
Tijdens de
Bataafse omwenteling vaardigden de Volksvertegenwoordigers van Holland een
verbod uit op het begraven in de kerken binnen de steden van het Gewest Holland.
In 1813 trok Koning Willem III dit verbod weer in, doch per 01.01.1829 werd het
verbod bij Koninklijk Besluit van 1825 weer van kracht, waarmee een einde kwam
aan een eeuwenoude Christelijke traditie. Men moest de doden nu gaan begraven op
kerkhoven buiten de bebouwde kom.
Maar ook zonder de
verboden had men hier halverwege de 18e eeuw ingezien dat de situatie waarbij de
nabestaanden en/of kerkgangers 'boven het rottend overschot van de doden'
moesten zitten niet langer houdbaar was. Het niet langer begraven in de kerken
betekende wel dat men van de nare stank (en van een grote bacteriehaard) af was.
Per 01.01.1829 was
het begraven in de kerken van steden en dorpen met meer dan 1000 inwoners
verboden, toch waren er nog enkele steden die pas veel later dit verbod gingen
toepassen. Amsterdam b.v. per 01.01.1866 en in 1873 volgde het dorp Velsen, waar
tot die tijd nog 47 doden waren begraven in of bij de Nederlands Hervormde kerk.
Crematies zoals
gebruikelijk in Oostelijke landen kende men hier niet, deze vonden in Nederland
pas plaats vanaf 01.04.1914 (en dan nog tegen de wet in). De Wet op de
Lijkbezorging van 10.04.1869 zegt in Art.1 dat elke overleden persoon en
doodgeboren kind, moet worden begraven in een gesloten kist op een
begraafplaats, overeenkomstig de aanwijzingen van deze wet aangelegd. Het duurde
tot 1955 voordat cremeren niet langer verboden was en in 1968 was bij wet
geregeld dat begraven en cremeren op een lijn waren gesteld.
In Nederland
bestond tot rond 1850 het agrarisch‑ambachtelijk huwelijkspatroon. De
grondslag van dit stelsel was dat men niet trouwde voor men verzekerd was van
een economische basis voor een huwelijk in de vorm van geld, bezittingen of een
bepaalde positie op de arbeidsmarkt.
Dit betekende voor
de bezitslozen dat het weinig uitmaakte of en wanneer ze trouwden. Voor anderen
betekende het dat het huwelijks werd uitgesteld tot een relatief hoge leeftijd
of zelfs dat er helemaal geen huwelijk plaatsvond omdat er niet voldoende
bezittingen waren.
Het late (of
geheel niet) in het huwelijk treden deed zich ook voor als de bezittingen niet
toereikend waren om alle kinderen in staat te stellen economisch zelfstandig te
worden of dat het erfrecht bepaalde dat het familiebezit in de handen van een
kind overging.
Dit
huwelijkspatroon had voor de samenleving als geheel een beperking van het aantal
gezins-/bedrijfshuishoudens. Een hogere sterfte en economische expansie
betekende dat er meer zelfstandige bestaansmogelijkheden vrij kwamen, zodat er
meer (dus jonger) gehuwd kon worden. Een slechte economische ontwikkeling had
echter een relatief laag huwelijksgetal, dus een hogere huwelijksleeftijd tot
gevolg.
Over de vrouw voor
1850 is maar weinig geschreven. Het leek er bijna op dat vrouwen passieve wezens
waren geweest, opgesloten in huis en huwelijk. Het aantal vrouwen dat zich
openlijk tegen de beperkingen die haar opgelegd waren verzette was zeer klein,
de 'uitvoerende' macht der vrouwen in die tijd gold slechts binnenshuis.
De
huiselijkheids-ideoligie "
HUISJE -
BOOMPJE
-
BEESTJE "
geeft de vrouw de centrale rol van moeder en echtgenote en had tot gevolg
dat de vrouw van het openbare leven werd uitgesloten. De rol van de gehuwde
vrouw als moeder en echtgenote werd gezien als de ware bestemming van alle
vrouwen. Het huwelijk was voor vrouwen vrijwel de enige manier om sociale status
te verwerven.
Het is bekend
vooral in de steden van West Europa in de 17e en 18e eeuw de vrouwen in de
meerderheid waren. In Amsterdam waren er in 1795 123 vrouwen per 100 mannen, een
verhouding die tot rond 1850 zo is gebleven.
1829: 11241 vrouwen en 9060 mannen. 1839: 12423 vrouwen en 10300 mannen.
Vrouwen bleven dus
eerder ongetrouwd en (vielen) dus niet in de rol van huisvrouw, maar waren als
dienstbode of ongetrouwde zuster/dochter lid van een huishouden. Het onderscheid
naar burgerlijke staat is belangrijk voor de geschiedenis van de vrouw, het
huwelijk bleek immers een instituut dat vrouwen afhankelijk en tot een soort
van tweederangs burger maakte. Een gehuwde vrouw stond geheel onder de juridische
bevoogding van haar echtgenoot en was ook economisch geheel van haar man
afhankelijk. De man was het 'Hoofd van de Echtvereniging'. Dit had tot
Ongehuwde vrouwen
worden in 19e eeuwse bronnen (maar ook in recent verschenen literatuur over
vrouwengeschiedenis) 'dochters of jongedochters' genoemd, ongeacht de leeftijd
van deze vrouwen. Deze uitspraken maken duidelijk dat ongehuwde vrouwen zelden
als zelfstandige en/of volwassen mensen werden beschouwd, zeker als men
negatieve termen leest als;
'gemankeerde vrouwen' - 'overgebleven vrouwen' - 'oude
vrijsters' - 'jonge juffrouwen' - 'blauwkousen'.
Er waren in die
jaren veel mannen als vrouwen die hadden verkozen niet in het huwelijk te
treden. Deze mannen en vrouwen
hebben zeer uiteenlopende motieven gehad om niet te willen trouwen. In de meeste
gevallen weten we niet of de mannen of vrouwen 'bij toeval' ongehuwd waren, of
dat zij hadden gekozen voor een leven als ongehuwde. Een bekend motief om niet
te trouwen is dat van de roeping of religieuze overtuiging, er werd keuze
gemaakt voor een leven in dienst van God en medemensen.
Een ander motief
is de keuze van een beroep dat onverenigbaar was met een huwelijk en waarin
vrijheid, zelfstandigheid of gevaar centraal stonden. Voorbeelden hiervan zijn
matroos, soldaat en marskramer. Bij deze beroepen geldt ook het feit dat er vele
vrouwen geweest zijn die (verkleed als man) soldaat of matroos werden en in deze
vermomming ook andere mannelijke privileges opeisten (er is zelfs een
vrouwelijke Paus geweest...). Een heel ander motief was de wens van vrouwen om
tot relatief hoge leeftijd voor familieleden of anderen te zorgen en daarmee
kansen op een huwelijk te niet deden.
Bij vrouwen deed
zich ook afkeer voor ten opzichte van een huwelijk vanwege de onderschiktheid
van een getrouwde vrouw aan haar echtgenoot en de gevaren voor het leven en de
gezondheid van een vrouw bij zwangerschap en bevalling. In de 18e eeuw overleed
6% van de vrouwen die zwanger werden bij de bevalling, en dan waren er nog de
gevolgen van scheuringen, ernstige bloedingen etc.